Naar boven ↑

Rechtspraak

gemeente Zoetermeer/werknemer
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 26 november 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:23129
Werknemer wordt op grond van de Uitvoeringsregeling opleiding en ontwikkeling veroordeeld tot terugbetaling van de studiekosten.

Feiten

Werknemer was van 1 mei 2015 tot en met 31 mei 2024 in dienst van de gemeente Zoetermeer (hierna: de gemeente). Hij is na zijn indiensttreding begonnen met een rechtenstudie. Vanwege problemen om het collegegeld over het studiejaar 2017/2018 te voldoen heeft hij contact opgenomen met zijn leidinggevende. Afgesproken is dat de gemeente de studiekosten voor hem zou vergoeden op voorwaarde dat hij een persoonlijk ontwikkelplan (POP) zou indienen. In het POP is een terugbetaling met betrekking tot de studiekosten overeengekomen. De gemeente heeft over drie studiejaren collegegeld betaald. Werknemer heeft zijn studie tussentijds beëindigd. Hij heeft dit niet aan zijn leidinggevende gemeld. Op grond van de terugbetalingsregeling vordert de gemeente een bedrag van € 7.882,49 aan studiekosten terug. Werknemer heeft de studiekosten tot op heden niet terugbetaald. Werknemer betwist dat hij akkoord is gegaan met de terugbetaling van de studiekosten. Hij heeft weliswaar een POP ondertekend maar de gemeente heeft hem mondeling toegezegd dat zij alle studiekosten zou vergoeden. Bovendien voldoet het POP niet aan de criteria die volgens de jurisprudentie aan een studiekostenbeding worden gesteld. In reconventie vordert werknemer terugbetaling van € 975,05 omdat de gemeente ter waarde van dit bedrag beslag heeft gelegd.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat de gemeente de studiekosten is gaan vergoeden omdat werknemer financiële problemen had. De gemeente heeft als voorwaarde gesteld dat werknemer een POP zou indienen en ondertekenen. Op de laatste bladzijde van het POP wordt expliciet vermeld dat er een terugbetalingsverplichting geldt die is weergegeven in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling en dat werknemer daarmee bekend was. Een mondelinge toezegging is door werknemer onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter gaat ervan uit dat het in het POP opgenomen studiekostenbeding met de verwijzing naar de Uitvoeringsregeling van toepassing is en er geen afwijkende mondelinge afspraken zijn. Dat het studiekostenbeding, zoals dat in het POP is opgenomen en dat volgens werknemer niet rechtsgeldig is omdat het niet voldoet aan de voorwaarden zoals uiteengezet in de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816, NJ 1983/796 (Muller/ Van Opzeeland) volgt de kantonrechter aan de hand van de drie in deze uitspraak genoemde criteria niet. Werknemer moet de studiekosten die de gemeente voor hem heeft betaald volledig terugbetalen.