Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/DE STAAT DER NEDERLANDEN, HET MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 4 december 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:23484
Aanbod van stage ter afronding van opleiding voldoet aan eerdere rechterlijke veroordeling; geen dwangsom wegens niet-naleving.

Feiten

Werknemer is sinds 1 oktober 2022 in dienst bij de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: het Ministerie). Aan deze aanstelling ging een dienstverband van meer dan 25 jaar bij het Ministerie van Defensie vooraf, waar werknemer werkzaam was bij de Koninklijke Marechaussee. Bij het Ministerie is werknemer aangesteld als operationeel manager (in opleiding) bij de stafafdeling Bedrijfsvoering van de Hoofddirectie Bedrijfsvoering. Het opleidingstraject tot OM’er was ten tijde van het geschil nog niet afgerond. Bij beschikking van 3 december 2024 heeft de kantonrechter in een eerdere procedure geoordeeld dat werknemer niet direct in zijn eigen functie kon terugkeren, omdat zijn opleidingstraject nog niet was voltooid. De kantonrechter heeft het Ministerie veroordeeld om werknemer uiterlijk binnen drie maanden weer toe te laten tot zijn (afgebroken) opleidingstraject tot OM’er. Ter uitvoering van deze beschikking heeft het Ministerie werknemer bij e-mail van 18 februari 2025 laten weten dat hij zijn opleidingstraject kan vervolgen met een stage van zes weken op een ambassade binnen Europa. Op 26 februari 2025 heeft het Ministerie werknemer geïnformeerd dat deze stage zal plaatsvinden op de ambassade in Rome en op korte termijn kan aanvangen. Na een gesprek op 7 maart 2025 heeft het Ministerie per e-mail bevestigd dat het aanbieden van een stage in Rome onderdeel vormt van de uitvoering van de rechterlijke uitspraak. Werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zijn opleidingstraject al heeft afgerond en dat een stage niet (meer) aan de orde is. Werkgever heeft zich op het standpunt gesteld dat hij met het aanbieden van de stage uitvoering geeft aan de beschikking van de kantonrechter. Werkgever heeft daarbij voorgesteld de uitvoering van de uitspraak, waaronder de terugbetaling van het aanloopvoorschot, tijdelijk te parkeren en dit te betrekken bij een mediationtraject.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter stelt voorop dat in deze procedure uitsluitend de vraag voorligt of werkgever heeft voldaan aan de veroordeling uit de beschikking van 3 december 2024, waarin werkgever is veroordeeld om werknemer toe te laten tot zijn (afgebroken) opleidingstraject tot OM’er. De kantonrechter overweegt dat in de eerdere beschikking is vastgesteld dat het opleidingstraject van werknemer nog niet was voltooid. Tegen die beschikking is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze in kracht van gewijsde is gegaan en de daarin opgenomen overwegingen bindende kracht hebben in deze procedure. Dat betekent dat in deze zaak niet opnieuw kan worden beoordeeld of werknemer zijn opleiding al had afgerond. Vaststaat dat werkgever een stageplaats van zes weken op de ambassade in Rome heeft aangeboden in het kader van het opleidingstraject. De kantonrechter oordeelt dat werkgever hiermee werknemer heeft toegelaten tot zijn opleidingstraject en daarmee uitvoering heeft gegeven aan de eerdere beschikking. Dat werknemer dit aanbod niet heeft geaccepteerd, doet daaraan niet af. Ook het feit dat werkgever daarnaast heeft ingezet op mediation, maakt dit oordeel niet anders. Nu werkgever aan de veroordeling heeft voldaan, bestaat geen grond voor oplegging van een dwangsom. Het verzoek van werknemer wordt afgewezen.