Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 17 november 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:8203
Feiten
Bedrijf X is opgericht door zijn beide statutair directeuren A en B, die na een jarenlange relatie uit elkaar gegaan. De arbeidsvoorwaarden die van toepassing zijn op A zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst die rond 1 oktober 2023 is ondertekend. In artikel 8.1 van deze arbeidsovereenkomst is bepaald dat door de werkgever of één van zijn werkmaatschappijen een personenauto aan de werknemer ter beschikking zal worden gesteld die ook voor privédoeleinden mag worden gebruikt. Het nettosalaris van zowel A als B is op basis van een gezamenlijke afspraak telkens bijgeboekt in de rekening-courantverhouding van beide directeuren met Bedrijf X . Feitelijke uitbetalingen aan A vonden via B plaats afhankelijk van de financiële ruimte bij Bedrijf X om betalingen te doen en de behoefte van A om in privé over financiële middelen te beschikken. A heeft bij brief van 11 maart 2025 gericht aan de algemene vergadering van aandeelhouders van Bedrijf X bezwaar gemaakt tegen zijn ontslag als statutair directeur, nu er geen (rechtsgeldig) ontslagbesluit is genomen en er geen redelijke grond is voor ontslag. A verklaart zich beschikbaar en bereid om op eerste afroep de bedongen werkzaamheden te verrichten en maakt aanspraak op betaling van salaris en terbeschikkingstelling van alle bedrijfsmiddelen en faciliteiten. Bedrijf X voert verweer.
Oordeel
Arbeidsovereenkomst
De rechtbank constateert dat er tussen partijen geen geschil (meer) is over het bestaan en voortduren van de arbeidsovereenkomst tussen A en Bedrijf X. Bij die stand van zaken heeft A geen belang bij beoordeling door de rechtbank van de vraag of in de e-mail van 27 februari 2025 een opzegging besloten ligt en zo ja, of die opzegging rechtsgeldig is.
Loon
De rechtbank constateert dat partijen het erover eens zijn dat A de aanspraak op zijn loon heeft behouden, ook al heeft hij vanaf 7 januari 2025 geen werkzaamheden meer verricht voor Bedrijf X. Dit past binnen het systeem van de wet. In dit geval ligt de oorzaak voor het niet werken voor Bedrijf X in het verbreken van de persoonlijke relatie tussen A en B, die samen de onderneming vormen. Zakelijk en privé zijn met elkaar verweven. De rechtbank acht het niet redelijk om de gevolgen van de relatiebreuk geheel voor rekening van A te brengen, in de vorm van het verlies van de aanspraak op zijn loon. Dat ligt naar het oordeel van de rechtbank anders over de periode vanaf 1 juli 2025. A heeft op de zitting toegelicht dat hij momenteel als zzp’er vanuit eigen nieuw opgerichte vennootschappen voor 20 tot 22 uur per week verricht voor twee opdrachtgevers. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden geen rechtvaardiging voor het naast elkaar bestaan van een volledige aanspraak op loon vanuit Bedrijf X en het genereren van eigen inkomsten door A. Niet in geschil is dat A en B hadden afgesproken dat het loon van beide directeuren geboekt zou worden in de rekening-courantverhouding met Bedrijf X. Bedrijf X heeft gesteld dat het loon van A over de periode vanaf januari 2025 conform deze afspraak is geboekt. A heeft dat niet weersproken. Het loon is dus feitelijk voldaan door middel van deze boeking in de rekening-courantverhouding van A met Bedrijf X . Deze afspraak is echter gemaakt toen de relatie tussen A en B nog goed was. De rechtbank is van oordeel dat A niet afhankelijk moet zijn van B voor het kunnen beschikken over financiële middelen vanuit Bedrijf X en dat hij terecht verzoekt om uitbetaling van zijn loon via storting op zijn bankrekening.
Toelating werkplek
De rechtbank wijst het verzoek van A tot toelating tot de werkplek af. De werkplek is namelijk de woning die tijdens de relatie gezamenlijk werd bewoond en sinds de relatiebreuk enkel door B wordt bewoond. De werkplek is feitelijk dan ook de privéruimte van B.
Auto
A verzoekt in zijn verzoekschrift specifiek om weer de beschikking te krijgen over de Tesla 3 waarin hij tot 28 februari 2025 reed. Deze auto is echter verkocht. Het is dan ook niet mogelijk voor Bedrijf X om aan dit verzoek te voldoen. De advocaat van A heeft mondeling op de zitting aangegeven in plaats van terbeschikkingstelling van de Tesla 3 betaling van de helft van de verkoopwaarde te willen verzoeken. Dit betreft een wijziging van verzoek, die op grond van de wet niet mondeling kan worden ingesteld (artikel 283 Rv). A heeft voorafgaand aan de zitting voldoende gelegenheid gehad om zijn gewijzigde verzoek op papier te zetten. Nog los van deze formele hobbel geldt dat de opbrengst van de verkoop van de auto toekomt aan Bedrijf X. De verdeling van deze opbrengst is dan ook een kwestie die partijen in het kader van de afwikkeling van hun zakelijke relatie zullen moeten meenemen. Wat betreft het verzoek tot betaling van de kosten van een vervangende auto geldt dat deze vergoeding niet langer verschuldigd zal zijn indien Bedrijf X A een zakelijke auto ter beschikking stelt.
