Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 24 november 2025
ECLI:NL:RBLIM:2025:11578
Toetsingskader geldvordering in kort geding. Werkneemster is er niet in geslaagd het bestaan en de omvang van haar loonvordering voldoende aannemelijk te maken.

Feiten

Werkneemster is sinds 14 oktober 2018 in dienst bij werkgever in de functie van keukenhulp. Op de arbeidsovereenkomst is de horeca-cao van toepassing. Het laatstelijk verdiende loon bedraagt € 2.380,32 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Het dienstverband is aangegaan voor 38 uur per week. Werkneemster heeft zich op 1 mei 2024 ziekgemeld. Op grond van de cao is werkgever gehouden om een zieke werknemer gedurende de eerste 52 weken van de ziekte 95% van het loon door te betalen en gedurende de tweede 52 weken 75% van het loon. Werkgever heeft in de periode van 1 mei 2024 tot en met 30 april 2025 100% van het loon doorbetaald, van 1 mei 2025 tot en met 30 september 2025 70% van het loon, en over de maand oktober 2025 75% van het loon. Werkneemster vordert achterstallig loon omdat zij van oordeel is dat zij pas in de eerste 52 weken van ziekte verkeert en zij op grond van de toepasselijke cao recht heeft op doorbetaling van 95% van haar loon. Werkgever voert verweer en stelt dat er sprake is van een onafgebroken periode van arbeidsongeschiktheid.

Oordeel

Met betrekking tot een voorziening in kort geding bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van de vordering aannemelijk is, maar ook of er daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voor verder onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden, of voor het leveren van bewijs door bijvoorbeeld getuigen, is in dit kort geding in beginsel geen plaats. De kantonrechter oordeelt dat werkneemster er niet in is geslaagd het bestaan en de omvang van haar vordering voldoende aannemelijk te maken. Werkneemster heeft geen herstelmelding overgelegd en heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode van augustus 2024 tot 19 juni 2025 daadwerkelijk weer volledig heeft gewerkt in haar oorspronkelijke functie. Gelet op de gemotiveerde betwisting van werkgever is binnen het bestek van dit kort geding naar het oordeel van de kantonrechter daarom niet met voldoende mate van zekerheid te voorspellen of, en zo ja in welke omvang, een bodemrechter de vordering van werkneemster zal toewijzen. De vorderingen worden afgewezen.