Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever b.v.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 3 november 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:8126
Werknemer mag ondanks het eerdere kortgedingvonnis alsnog een procedure starten voor achterstallig vakantiegeld en loon vanaf 1 juli 2025, omdat het eerdere vonnis daar niet over oordeelde en geen gezag van gewijsde heeft.

Feiten

Werknemer is op 2 december 2015 in dienst getreden bij werkgever in de functie van media-adviseur. Op 14 april 2025 heeft werknemer zich per e-mailbericht ziekgemeld bij werkgever. Werknemer heeft een kort geding aanhangig gemaakt tot betaling van achterstallig loon, te vermeerderen met wettelijke verhoging, wettelijke rente en (werkelijke) kosten. Bij vonnis van 6 augustus 2025 heeft de kantonrechter een bedrag aan achterstallig loon over de periode januari 2025 tot en met juni 2025, een bedrag aan wettelijke verhoging, de wettelijke rente over het achterstallige loon en de proces- en nakosten toegekend. Werknemer vordert onder meer werkgever te veroordelen tot betaling van een bedrag aan achterstallig vakantiegeld en achterstallig loon. Werknemer stelt dat werkgever, ondanks diverse sommaties van werknemer en het voornoemde vonnis van de kantonrechter, heeft nagelaten het volledige vakantiegeld en het loon vanaf 1 juli 2025 uit te betalen aan werknemer. Dit getuigt van slecht werkgeverschap.

Oordeel

Het meest verstrekkende verweer van werkgever is dat het vonnis van de kantonrechter in kracht van gewijsde is gegaan en gezag van gewijsde heeft gekregen, zodat werknemer geen aanspraak meer kan maken op andere (lees: hogere) bedragen dan die in het vonnis zijn toegekend. Uit het vonnis van de kantonrechter volgt niet dat er is geoordeeld over het gevorderde vakantiegeld en het loon vanaf 1 juli 2025. Het staat werknemer dan ook vrij daar alsnog een procedure over te beginnen. Bovendien ligt in het verlengde van artikel 257 Rv dat aan een vonnis in kort geding geen kracht/gezag van gewijsde toekomt. Dit verweer van werkgever slaagt niet. In het vonnis van de kantonrechter is vastgesteld dat werkgever ten onrechte een lager loon heeft uitgekeerd aan werknemer. Omdat uitgegaan moet worden van een hoger loon is ook een hoger bedrag aan vakantiegeld verschuldigd. Tussen partijen staat vast dat het vakantiegeld niet is opgehoogd. Werknemer heeft op de mondelinge behandeling nog aangegeven dat het voor hem lastig is om het achterstallige loon te specificeren, omdat de administratie van werkgever onduidelijk is. Dit moet naar zijn mening voor rekening en risico van werkgever komen, zodat de vordering alsnog dient te worden toegewezen. De kantonrechter overweegt dat werknemer de vordering instelt, zodat het in beginsel aan hem is om voldoende inzicht in de verschuldigde bedragen te verschaffen om deze te kunnen toewijzen. Als dit onvoldoende duidelijk is, kan de kantonrechter de vordering in kort geding niet toewijzen. De kantonrechter wijst werknemer er in dat kader op dat er in een bodemprocedure meer mogelijkheden zijn om informatie op te vragen van werkgever of bewijs te verlangen/leveren.