Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 9 oktober 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:7420
Feiten
Werknemer is op 1 september 2017 in dienst getreden bij Ace, een Amsterdams boekingskantoor voor artiesten, als senior agent voor onbepaalde tijd. Per 1 april 2022 heeft hij promotie gemaakt, waarbij hij onder meer verantwoordelijk werd voor de wereldwijde boekingen van artiest A. Bij deze promotie is een addendum op de arbeidsovereenkomst opgesteld, waarin ook een concurrentiebeding en relatiebeding zijn opgenomen. Het concurrentiebeding bepaalt dat werknemer gedurende 12 maanden na einde dienstverband niet voor een concurrent van Ace mag werken of daarbij betrokken mag zijn. Het relatiebeding bepaalt dat werknemer gedurende 24 maanden geen contact mag onderhouden of werkzaamheden mag verrichten voor artiesten of hun vertegenwoordigers waarmee hij via Ace heeft gewerkt en dat hij deze ook niet mag benaderen of aantrekken. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 oktober 2025. Ace heeft op 15 augustus 2025 bevestigd dat zij werknemer aan het concurrentie- en relatiebeding zal houden. Werknemer vordert daarop schorsing van deze bedingen. Hij vraagt primair om de bedingen te schorsen voor zover deze hem belemmeren om in dienst te treden bij Wasserman en WME, subsidiair alleen ten aanzien van Wasserman of WME en meer subsidiair om de duur te beperken tot 1 januari 2026 en/of tot concurrenten in Amsterdam. Daarnaast vraagt werknemer om schorsing van het relatiebeding ten aanzien van de bedrijven Wasserman en WME en schorsing van het relatiebeding ten aanzien van de artiesten A, B, C en gedeeltelijk ten aanzien van artiest D (alleen voor de regio’s Noord- en Zuid-Amerika en Azië). Ook hier vraagt hij subsidiair om beperking van de duur tot 1 januari 2026. Werknemer stelt dat het concurrentiebeding niet van toepassing is omdat Wasserman en WME geen concurrenten van Ace zijn. Mocht dit wel zo zijn, dan heeft Ace volgens hem geen gerechtvaardigd belang bij handhaving van het beding. Ten aanzien van het relatiebeding voert werknemer aan dat Wasserman en WME geen relaties of artiesten van Ace zijn en dat de betreffende artiesten eveneens niet onder het relatiebeding vallen. Artiest B is geen klant van Ace, waardoor ook zijn manager artiest C niet onder het relatiebeding valt. Voor artiest A heeft het relatiebeding volgens werknemer geen betekenis, omdat deze artiest al heeft aangegeven Ace te verlaten. Wat betreft artiest D vertegenwoordigt Ace hem uitsluitend in de regio EMEA + Australië, waardoor het relatiebeding volgens werknemer alleen voor die regio zou gelden.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat zowel het concurrentiebeding als het relatiebeding rechtsgeldig zijn overeengekomen.
Concurrentiebeding
Werknemer stelt dat Wasserman en WME geen concurrenten van Ace zijn vanwege hun bredere internationale werkveld. Ace betwist dit en wijst op overlappende artiesten en gelijksoortige activiteiten. De kantonrechter volgt Ace en oordeelt dat Wasserman en WME wel als concurrenten gelden. Bij de belangenafweging stelt werknemer dat hij geen bedrijfsgevoelige informatie bezit en dat het beding hem onevenredig beperkt in een nichemarkt zonder geografische beperking. Ace benadrukt dat werknemer een sleutelpositie had, bekend is met contractvoorwaarden en dat Wasserman en WME specifiek interesse hebben in het bedrijfsdebiet van Ace. De rechter oordeelt dat Ace voldoende belang heeft bij handhaving. Werknemer beschikt over specifieke kennis, er is overlap in artiesten en het beding geldt slechts één jaar. De vordering tot schorsing van het concurrentiebeding wordt afgewezen.
Relatiebeding
Werknemer stelt dat Wasserman, WME, artiest B en artiest C niet onder het relatiebeding vallen en dat artiest A vertrekt. Ace voert aan dat werknemer intensief met deze partijen samenwerkte, dat artiest A nog onder contract staat en dat artiest D ook buiten de door Ace vertegenwoordigde regio’s binnen het beding valt. De kantonrechter volgt Ace ten aanzien van artiest A, Wasserman, WME en artiest D. Ten aanzien van artiest B en artiest C geldt dat zij als prospect moeten worden beschouwd omdat werknemer hen intensief heeft benaderd. Bij de belangenafweging acht de rechter het belang van Ace bij handhaving van het beding ten aanzien van artiest A en artiest D voldoende onderbouwd vanwege het risico op overstap. Voor Wasserman en WME ontbreekt een zwaarwegend belang voor handhaving van een duur van 24 maanden, omdat zij al onder het concurrentiebeding vallen. Daarom zal het relatiebeding voor deze partijen per 1 oktober 2026 worden vernietigd. Dat geldt ook voor artiest B en artiest C, er is nog geen bestaande relatie die langere bescherming rechtvaardigt.
