Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 19 november 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:13575
Feiten
Werknemer werkt sinds 16 oktober 2000 bij werkgeefster. Zijn functie is senior vicepresident Tax & Insurance. Werkgeefster is een internationaal energiebedrijf en maakt deel uit van een groep vennootschappen. B is de functioneel lijnmanager van werknemer. A is disciplinair leidinggevende. Werknemer is ook statutair bestuurder van twee andere groepsvennootschappen. Sinds 26 januari 2017 is hij statutair bestuurder van vennootschap 1 en sinds 12 juni 2024 van vennootschap 2. Voor zijn bestuurdersfunctie bij vennootschap 1 ontving werknemer een vergoeding van € 10.000 bruto per jaar naast zijn salaris van werkgeefster. Op 9 december 2024 heeft werknemer als bestuurder van vennootschap 2 een managementovereenkomst getekend tussen vennootschap 2 en hemzelf waarin staat dat werknemer een vergoeding ontvangt van € 15.000 bruto per jaar. Ook heeft werknemer een addendum getekend op de managementovereenkomst voor vennootschap 1 waarin staat dat hij een vergoeding ontvangt van € 15.000 bruto (in plaats van de eerder afgesproken € 10.000 bruto). Hier lag geen aandeelhouderbesluit aan ten grondslag en werknemer heeft over deze vergoedingen niet overlegd met zijn leidinggevenden. In een gesprek op 12 mei 2025 heeft werkgeefster werknemer op non-actief gesteld en meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst wil beëindigen. Per 26 september 2025 is werknemer ontslagen als bestuurder van vennootschap 2 en vennootschap 1. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met werknemer, pimair op de e-grond, subsidiair de g-grond en meer subsidiair de i-grond. Werkgeefster legt aan haar verzoek ten grondslag dat werknemer als bestuurder van twee groepsvennootschappen eigenmachtig en zonder toestemming van de aandeelhoudersvergadering, zijn werkgeefster of zijn lijnmanager (hogere) vergoedingen voor zijn bestuurdersposities aan zichzelf heeft toegekend. Dat is volgens werkgeefster fraude of diefstal. Werknemer is het hier niet mee eens.
Oordeel
Ontbinding arbeidsovereenkomst
De kantonrechter vindt dat er een redelijke grond is om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, namelijk de i-grond. Werknemer heeft niet geheel eigenmachtig gehandeld bij het opstellen van de managementovereenkomsten met daarin de hogere vergoedingen. Hij deed dit namelijk in nauw overleg met persoon C (senior legal counsel ) en persoon E (business partner accounting). De kantonrechter is van oordeel dat werknemer tot op zekere hoogte mocht vertrouwen op het advies van C en dat wat hij deed in orde was. Het voorgaande neemt niet weg, zoals hiervoor is geoordeeld, dat de kantonrechter vindt dat werknemer wel over de hogere beloning had moeten overleggen met zijn leidinggevende(n). De kantonrechter vindt dat van een significante bevoordeling van werknemer geen sprake is. De kantonrechter neemt ook in aanmerking dat werknemer al 25 jaar bij werkgeefster in dienst is, altijd goed heeft gefunctioneerd en dat hij zijn nek heeft willen uitsteken voor werkgeefster. Daar waar andere bestuurders vanwege de persoonlijke risico’s wilden aftreden, heeft werknemer het belang van werkgeefster vooropgesteld en een groot persoonlijk risico op zich genomen. Werknemer heeft bovendien achteraf erkend dat het verstandiger was geweest als hij over de vergoedingen had overlegd met zijn leidinggevende(en). Dit alles maakt zijn handelwijze minder verwijtbaar en leidt tot het oordeel dat van een voldragen e-grond die kan leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen sprake is. Er is ook geen sprake van een voldragen g-grond. Er is wel sprake van een combinatie van omstandigheden bestaande uit de e-grond en de g-grond, waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Hiervoor is vastgesteld dat werknemer wel een verwijt valt te maken van zijn gedragingen en dat de arbeidsrelatie hierdoor is verstoord. De kantonrechter heeft op de zitting vastgesteld dat er van de kant van werkgeefster geen enkel vertrouwen meer is in werknemer. Dat zorgt ervoor dat een vruchtbare voortzetting van de samenwerking naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid niet meer te verwachten is, zeker gezien de hoge functie die werknemer bij werkgeefster bekleedt. Op dat niveau is een nauwe samenwerking en een groot onderling vertrouwen noodzakelijk en dat laatste is er vanuit werkgeefster niet meer. Wat hiervoor is geoordeeld over de e-grond en de g-grond leidt gecombineerd tot het oordeel dat er wel sprake is van een voldragen i-grond. De kantonrechter kent aan werknemer een extra vergoeding toe van € 53.932,25 bruto. De kantonrechter kent aan werknemer geen billijke vergoeding toe.
Concurrentiebeding, relatiebeding en boetebeding
De kantonrechter vindt dat er geen reden is om het concurrentiebeding te vernietigen. De kantonrechter vernietigt het relatiebeding wel gedeeltelijk, door de periode waarvoor het geldt te beperken tot 12 mei 2026. Het boetebeding in de arbeidsovereenkomst is nietig. In dat beding staat namelijk dat werknemer een boete moet betalen en dat werkgeefster daarnaast schadevergoeding of nakoming kan vorderen. Dat is in strijd met de wet.
