Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Jumbo Supermarkten B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 18 november 2025
ECLI:NL:GHDHA:2025:2384
Vernietiging ontslag op staande voet blijft in stand nadat de kantonrechter werkneemster niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoeken wegens overschrijding van de vervaltermijn.

Feiten

Werkneemster is op 1 mei 2017 in dienst getreden bij Jumbo als medewerkster service. In april 2024 heeft Jumbo Supermarkten B.V. (hierna: Jumbo) werkneemster op staande voet ontslagen. Tussen partijen is in geschil op welke datum (24, 25 of 26 april 2024) het door Jumbo per e-mail verstuurde bericht van ontslag op staande voet haar werking heeft gekregen. In eerste aanleg heeft werkneemster de kantonrechter verzocht het door Jumbo gegeven ontslag op staande voet te vernietigen (met daaruit voortvloeiende veroordelingen tot onder meer doorbetaling van loon en wedertewerkstelling). Daarnaast heeft zij provisionele voorzieningen verzocht en ook een beslissing over de proceskosten. De kantonrechter heeft werkneemster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken wegens overschrijding van de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 aanhef en onder a BW. Tegen de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komt werkneemster op met twee grieven.

Oordeel

Het verzoek van werkneemster tot vernietiging van het ontslag is ingediend op 26 juni 2024. Op grond van artikel 7:686a lid 4 aanhef en onder a BW is het verzoek alleen dan tijdig ingediend, als de laatste dag van het dienstverband niet vóór 26 april 2024 is geweest. Volgens werkneemster is dat het geval. Zij markeert 26 april 2024 als de dag waarop het dienstverband is geëindigd. Zij verwijst daarvoor naar een e-mail van Jumbo, die zij niet eerder dan op 26 april 2024 heeft ontvangen. Volgens Jumbo is de laatste dag van het dienstverband eerder geweest, te weten op 24 of in ieder geval 25 april 2024. Zij verwijst daarvoor naar haar e-mails van die data, die werkneemster volgens Jumbo ook op die data heeft ontvangen. Het hof bespreekt met inachtneming van de overwegingen in het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 de stellingen van partijen met betrekking tot de e-mails van 24 en 25 april 2024. Het hof verwerpt het standpunt van werkneemster dat de e-mail van 24 april 2024 niet als een tot haar gerichte verklaring kan worden aangemerkt (want gericht aan haar advocaat). Werkneemster zelf stond immers in de cc. Bovendien had haar advocaat Jumbo gevraagd correspondentie aan hem (in plaats van aan werkneemster) te richten. Het hof concludeert dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de mededeling van Jumbo aan werkneemster van het ontslag op staande voet haar op 24 april 2024 heeft bereikt als bedoeld in artikel 3:37 lid 3 BW. De stellingname van werkneemster dat zij de aangetekende e-mail van 25 april 2024 pas op 26 april 2024 heeft ontvangen, acht het hof ontoereikend ter bestrijding van het standpunt van Jumbo dat de mededeling van het ontslag op staande voet (in elk geval) op 25 april 2024 haar werking heeft gekregen. De e-mail van 24 april 2024 evenals die betreffende de aangetekende e-mail van 25 april 2024 voeren het hof tot de conclusie dat werkneemster in eerste aanleg terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoeken. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd.