Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Fugro NL Land B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11 november 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:21303
Het pensioen van werknemer is al geruime tijd niet meer verhoogd. Werknemer vordert schadevergoeding wegens vervallen indexatieperspectief en eindigen toeslagverlening.

Feiten

Werknemer was van 1975 tot 2013 in dienst van tot de Fugro-groep behorende vennootschappen, laatstelijk bij Fugro NL Land B.V (hierna: Fugro). In 2013 is hij met pensioen gegaan. Werknemer heeft pensioen opgebouwd op basis van de pensioenregeling van Fugro. Deze regeling was door Fugro ondergebracht bij Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: NN) en vastgelegd in het meest recente pensioenreglement van NN (Pensioenreglement-2008), waarin bepalingen met betrekking tot indexatie en het verkrijgen van toeslagen. Ter uitvoering van de pensioenovereenkomsten van werknemers van het concern heeft Fugro een uitvoeringsovereenkomst gesloten met NN. Deze overeenkomst had een looptijd van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2015 (UVO-2011). In bijlage 11 bij deze overeenkomst staat onder meer het volgende over het toeslagdepot voor inactieven. Tot en met 2018 is het pensioen van werknemer jaarlijks verhoogd met 0,20% (2014), 0,35% (2015), 0,40% (2016), 0,36% (2017) en 1,256% (2018), waarover NN hem telkens schriftelijk heeft geïnformeerd. Bij brief van 19 december 2018 heeft NN werknemer bericht dat toekomstige indexaties niet meer mogelijk zijn doordat het saldo van het toeslagendepot nihil is. Per 1 januari 2019 heeft Fugro de pensioenopbouw van werknemers ondergebracht bij Stichting Pensioenfonds PGB en de overeenkomsten met NN beëindigd. Partijen verschillen van opvatting over de indexering van het pensioen en het al dan niet verkrijgen van toeslagen. Werknemer vordert een verklaring voor recht. Hij stelt dat het als gevolg van gedragingen van Fugro volledig wegvallen van elk indexatieperspectief en eindigen van toeslagverlening op zijn pensioen in strijd is met de pensioenovereenkomst, het goed werkgeverschap en de redelijkheid en billijkheid. Fugro voert verweer en stelt dat werknemer niet-ontvankelijk is omdat de toeslagverlening zijn rechtsverhouding met NN betreft, dat zijn rechten zijn verjaard en verwerkt, dat de toeslagverlening volgens de voorwaarden is verleend en beëindigd en dat zij niet verplicht is om het verdampen van de winstdeling die als voorwaarde gold voor indexatie te compenseren.

Oordeel

Rechtsverhouding, verjaring en rechtsverwerking

Het primaire formele verweer van Fugro houdt in dat, nu toeslagverlening aan gepensioneerden  een kwestie in de rechtsverhouding tussen NN en die van betrokken gepensioneerden betreft, niet Fugro maar NN als de in rechte te betrekken partij moet worden aangemerkt. Dit verweer treft geen doel, omdat naar het oordeel van de kantonrechter werknemer ook jegens Fugro een rechtsingang kan hebben. Ook het beroep van Fugro op verjaring wordt verworpen, omdat de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis moet worden aangemerkt als een voortdurende gebeurtenis die tot op heden voortduurt, wordt aangenomen dat in ieder geval een substantieel deel van die vordering van werknemer niet is verjaard. Het beroep van Fugro op rechtsverwerking slaagt niet, omdat niet is gesteld of gebleken op welke wijze Fugro door het handelen of nalaten van werknemer onredelijk in haar positie onredelijk wordt benadeeld.

Toeslagverlening en indexatie

De kantonrechter verwijst naar het pensioenreglement waarin staat dat Fugro probeert toeslagen te verlenen en het ook aan haar is voorbehouden om daarover te beslissen,  dat de indexatie-ambitie maximaal gelijk is aan de consumentenprijsindex (CPI) maar de indexatie nimmer de grens van 3,5% per jaar overschrijdt, dat de financiering van bedoelde toeslagen geschiedt uit overrente die door NN jaarlijks ter beschikking wordt gesteld en in een depot voor toeslagverlening wordt gestort, alsmede dat indien het saldo van dat depot ontoereikend is voor het verlenen van toeslag een lagere toeslag wordt verleend. Dit betekent dat slechts tot toeslagverlening kan worden overgegaan als en voor zover er gelden uit overrente in het depot zitten, waarbij in het geval deze gelden ontoereikend zijn slechts een toeslag van geringere omvang dan de geambieerde toeslag kan worden toegekend, tenzij Fugro (alsnog) overgaat tot een aanvullende storting in het depot. Dat dat laatste een rechtens afdwingbare verplichting van Fugro zou zijn vloeit evenwel uit de tekst van het Pensioenreglement niet rechtstreeks voort. De vraag zoals die ter zitting aan de orde is gesteld of Fugro op grond van het (nawerkend) goed werkgeverschap dan wel de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid gehouden was (of is) tot een dergelijke toerekening van winst ten gunste van ex-werknemers in plaats van aandeelhouders, wordt ontkennend beantwoord. In haar positie van ondernemer én werkgever, ontkomt Fugro er niet aan om keuzes te maken. Dat Fugro er niet voor kiest om haar (commerciële) winst aan te wenden voor toeslagverlening aan pensioengerechtigden, kan haar niet worden tegengeworpen, omdat er voor Fugro geen rechtens afdwingbare verplichting tot waardevastmaking van pensioenen heeft bestaan (of bestaat). Het handelen van Fugro, bezien tegen de achtergrond van de aan de orde gestelde jurisprudentie, biedt geen grond voor het aannemen van een verplichting jegens werknemer tot compensatie voor de beëindiging van toeslagverlening. Het feit dat Fugro aan werknemer geen compensatie heeft toegekend wordt dan ook niet in strijd met de norm van goed werkgeverschap en/of de redelijkheid en billijkheid geacht. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.