Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 30 oktober 2025
ECLI:NL:RBLIM:2025:10694
Feiten
Werknemer is per 1 augustus 2008 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van monteur/technisch medewerker. Werknemer heeft zich per 1 februari 2023 ziekgemeld. Bij beslissing van 12 december 2024 heeft het UWV geoordeeld dat werkgever te weinig gedaan heeft om werknemer te re-integreren en heeft het UWV werkgever een verlening van de loondoorbetalingsverplichting opgelegd van maximaal 52 weken, tot 27 januari 2026. Werkgever heeft daartegen bezwaar ingediend. Het UWV heeft bij beslissing van 25 juli 2025 het bezwaar ongegrond verklaard. Werkgever heeft het loon over de maanden juli en augustus 2025 onbetaald gelaten. Werknemer heeft werkgever op 3 juli 2025 en op 2 september 2025 schriftelijk verzocht om het loon aan werknemer uit te betalen. In laatstgenoemde brief heeft werknemer de wettelijke verhoging, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten aangezegd. Werkgever heeft op 17 september 2025 het loon over de maand juli 2025 betaald aan werknemer. Op 15 oktober 2025, één dag voor de mondelinge behandeling, heeft werkgever het loon over de maanden augustus en september 2025 betaald aan werknemer. Werknemer vordert loon, de wettelijke verhoging, wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. Werkgever voert aan dat er geen sprake is van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. Werkgever is een klein bedrijf en is niet verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Deze situatie duurt al lang en het geld is op. Werkgever heeft geld geleend om het loon over de maanden juli, augustus en september 2025 te kunnen betalen aan werknemer.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering (loonvordering). Het gaat namelijk om de maandelijkse inkomsten van werknemer. De vordering om deugdelijke bruto/nettospecificaties aan werknemer te verstrekken wordt toegewezen. Werkgever is, zoals werknemer terecht heeft gesteld, op grond van de opgelegde loondoorbetalingsverplichting verplicht om tot 27 januari 2026 70% van het loon aan werknemer door te betalen. De betalingsonmacht van werkgever maakt dat niet anders. De kantonrechter acht het dan ook aannemelijk dat de loonvorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. De gevorderde loonbetalingen zijn - bij wijze van voorlopige voorziening - dan ook toewijsbaar, waarbij de betalingen door werkgever over de maanden juli, augustus en september 2025 uiteraard in mindering strekken. De wettelijke verhoging wordt beperkt tot nihil, omdat werkgever heeft aangegeven te laat te hebben betaald vanwege het ontbreken van vermogen. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot het wettelijke tarief. Werkgever wordt in de proceskosten veroordeeld.
