Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 13 november 2025
ECLI:EU:C:2025:878
Feiten
Verzoekster in het hoofdgeding is al meer dan 30 jaar werkzaam in het verwerende ziekenhuis. Zij werkt er als arts die gespecialiseerd is in longziekten. Dat ziekenhuis is een publieke zorginstelling met rechtspersoonlijkheid en ressorteert onder de plaatselijke overheid. Tot en met 31 december 2006 was de arbeidsplaats van verzoekster in het hoofdgeding ingedeeld als een arbeidsplaats waar zij aanvankelijk werd blootgesteld aan arbeidsomstandigheden als bedoeld in arbeidsgroep II en vervolgens aan „bijzondere arbeidsomstandigheden” in de zin van de achtereenvolgens toepasselijke Roemeense wettelijke regelingen inzake ouderdomspensioenen en sociale zekerheid. Op basis van deze indeling had verzoekster in het hoofdgeding recht op extra dagen jaarlijkse vakantie, een verlaging van de pensioenleeftijd en een verhoging van het aantal punten voor de berekening van haar ouderdomspensioen. Het ziekenhuis moest als werkgever, gelet op die indeling, hogere sociale premies betalen dan die welke verschuldigd waren voor werknemers van wie de arbeidsplaatsen waren ingedeeld als arbeidsplaatsen waar zij werden blootgesteld aan „normale arbeidsomstandigheden”. Met ingang van 1 januari 2007 is haar arbeidsplaats echter ingedeeld als een arbeidsplaats waar „normale arbeidsomstandigheden” gelden, ondanks het feit dat de functie en arbeidsomstandigheden van verzoekster in het hoofdgeding ongewijzigd zijn gebleven, waardoor het ziekenhuis niet langer verplicht was om voor verzoekster in het hoofdgeding hogere sociale premies te betalen. Op grond van het Roemeense recht kan alleen de werkgever tegen deze „arbeidsplaatsindeling” bezwaar en beroep instellen. Werkneemster meent dat het ontbreken van rechtsmiddelen tegen deze indeling voor haar in strijd is met de Arbo-richtlijn.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Werkneemster heeft geen zelfstandig recht juiste arbeidsplaats indeling af te dwingen (als bijzonder arbeidsomstandigheden)
Artikel 9 lid 1 van Richtlijn 89/391/EEG bepaalt in dit verband dat de werkgever moet beschikken over een evaluatie van de risico’s voor de veiligheid en de gezondheid op het werk, met inbegrip van de risico’s voor de groepen werknemers met bijzondere risico’s, dat hij de te nemen beschermende maatregelen en, indien nodig, de te gebruiken beschermingsmiddelen moet vastleggen, dat hij een lijst moet bijhouden van arbeidsongevallen die voor de werknemer hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan drie werkdagen, en dat hij rapporten moet opstellen over de arbeidsongevallen die zijn werknemers zijn overkomen. Volgens artikel 9 lid 2 van die richtlijn moeten de lidstaten bepalen aan welke verplichtingen de diverse categorieën bedrijven, afhankelijk van de aard van hun activiteiten en hun grootte, moeten voldoen voor wat betreft de opstelling van de documenten die zien op de in artikel 9 lid 1 bedoelde verplichtingen. Voorts bepaalt artikel 11 lid 6 van Richtlijn 89/391/EEG dat werknemers de mogelijkheid moeten hebben om zich tot de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk te wenden indien zij menen dat de werkgever ontoereikende maatregelen heeft genomen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren. Noch deze bepalingen, noch de overige bepalingen van Richtlijn 89/391/EEG verplichten de lidstaten om erop toe te zien dat arbeidsplaatsen worden ingedeeld op basis van de omvang van de risico’s voor de gezondheid van de personen die deze plaatsen bezetten, zodat die personen eventueel bepaalde extra rechten op het gebied van pensioen- en vakantieopbouw krijgen.
Indirecte werking?
Het valt echter niet uit te sluiten dat een systeem waarbij arbeidsplaatsen worden ingedeeld op basis van de gezondheidsrisico’s, gevolgen kan hebben voor de verplichtingen die krachtens Richtlijn 89/391/EEG op werkgevers rusten. In dat geval moeten de lidstaten bij de toepassing van een dergelijk systeem de verplichtingen van die richtlijn in acht nemen. Dit is niet het geval wanneer de toepassing van dat systeem ertoe leidt dat de werkgever aan sommige van deze verplichtingen wordt onttrokken (zie in die zin HvJ EU 21 maart 2018, Podilă e.a., C-133/17 en C-134/17, ECLI:EU:C:2018:203, punten 42 en 44).
Wat ten eerste de toekenning van extra rechten op ouderdomspensioen betreft, zij opgemerkt dat de toekenning van dergelijke rechten niet bijdraagt tot de door die richtlijn nagestreefde doelstelling van verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk.
Wat ten tweede de toekenning van extra extra jaarlijkse vakantiedagen aan een werknemer vanwege moeilijke arbeidsomstandigheden waarbij hij wordt blootgesteld aan risico’s voor zijn gezondheid of persoon betreft, kan dit gerechtvaardigd zijn om de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk te waarborgen. De Richtlijn 2003/88/EG verplicht echter niet tot het toekennen van extra jaarlijkse vakantiedagen om die redenen. Bijgevolg heeft een nationale regeling die voorziet in een systeem waarbij arbeidsplaatsen worden ingedeeld op basis van de gezondheidsrisico’s die werknemers lopen, geen gevolgen voor de verplichtingen die krachtens Richtlijn 89/391/EG op werkgevers rusten, wanneer de toepassing van dat systeem er alleen toe kan leiden dat werknemers bepaalde extra rechten hebben op het gebied van pensioenopbouw en jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
Indien het niet indelen van de arbeidsplaats van verzoekster in het hoofdgeding als arbeidsplaats waar zij wordt blootgesteld aan „bijzondere omstandigheden” zou betekenen dat de werkgever de risico’s niet heeft beoordeeld en daardoor niet de nodige maatregelen heeft genomen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te waarborgen, dan zou het niet indelen, zoals is aangegeven in punt 59 van het onderhavige arrest, tot gevolg hebben dat de werkgever wordt onttrokken aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 9 lid 1 onder a en b van Richtlijn 89/391/EG, hetgeen door de werknemers overeenkomstig artikel 11 lid 6 van deze richtlijn zou moeten kunnen worden gemeld bij de bevoegde autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid en, indien nodig, zou moeten kunnen worden aangevochten bij de nationale rechterlijke instanties teneinde overeenkomstig artikel 47 van het Handvest een effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen van de bij die richtlijn aan werknemers verleende rechten. Zoals blijkt uit punt 61 van het onderhavige arrest, wordt echter niet betwist dat de werkgever als gevolg van de omzetting van artikel 9 lid 1 onder a en b en artikel 11 lid 6 van Richtlijn 89/391/EG in Roemeens recht een risicobeoordeling moet uitvoeren en de nodige maatregelen moet nemen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te waarborgen, en dat verzoekster in het hoofdgeding de mogelijkheid heeft om bij de bevoegde Roemeense autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk en, indien nodig, bij de Roemeense rechterlijke instanties op te komen tegen de ontoereikendheid van de door haar werkgever na de desbetreffende risicobeoordeling genomen maatregelen en ingezette middelen om de veiligheid en de gezondheid op het werk te verzekeren.
Conclusie
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 9 en artikel 11 lid 6 van Richtlijn 89/391/EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling, zoals uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, die eraan in de weg staat dat een werknemer zich tot de bevoegde nationale autoriteit op het gebied van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid op het werk wendt of een vordering instelt bij een nationale rechterlijke instantie om de in die regeling voorziene indeling van zijn arbeidsplaats te laten vaststellen of herzien in het licht van de meer dan normale gezondheidsrisico’s waaraan hij op het werk wordt blootgesteld, en om op basis van die nieuwe indeling extra rechten te verkrijgen op het gebied van pensioenopbouw en jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
