Naar boven ↑

Rechtspraak

verzoeker/Houtproducten.nl B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 10 oktober 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:9529
Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van betaald of bedongen loon. Reeds om die reden kan de werkrelatie tussen partijen niet worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst.

Feiten

Verzoeker heeft gedurende langere tijd werkzaamheden voor Houtproducten.nl B.V. (hierna: Houtproducten) verricht. De vraag is of verzoeker die werkzaamheden al dan niet verrichtte op basis van een arbeidsovereenkomst. Bij tussenbeschikking van 9 december 2024 heeft de kantonrechter verzoeker opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat er sprake was van een tussen hem en Houtproducten.nl bestaande arbeidsovereenkomst, meer in het bijzonder dat er sprake was van een gezagsverhouding, hij bedrijfskleding droeg met logo van Houtproducten.nl, contacten onderhield met klanten, anderen aanstuurde, de beschikking had over een bedrijfsauto, beschikte over de sleutels van de bedrijfsgebouwen, toegang had tot de beveiligingsbeelden en aan hem loon is toegezegd, alsmede de hoogte daarvan.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De schriftelijke bewijsstukken leiden er niet toe dat verzoeker in de hem gegeven bewijsopdracht is geslaagd. Ook in samenhang met de getuigenverklaringen is daarvan geen sprake. Vaststaat dat aan verzoeker nooit enige vergoeding voor het door hem verrichte werk is betaald. Uit de stukken blijkt ook niet dat partijen zijn overeengekomen dat aan verzoeker loon zou worden betaald voor de door hem verrichte werkzaamheden. De verklaringen van de getuigen ten aanzien van de beweerdelijke toezeggingen die namens Houtproducten zouden zijn gedaan ter zake van aan verzoeker toegezegd loon en de hoogte daarvan, komen de kantonrechter ongeloofwaardig voor. De kantonrechter acht in dat kader van belang dat de getuigen, behoudens op de specifieke aspecten van de bewijsopdracht, niets concreets hebben kunnen verklaren over de verdere inhoud van de gesprekken die zijn gevoerd. Het is niet vast komen te staan dat er sprake is van toegezegd loon. Hoewel de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW niet ziet op de onderhavige situatie, omdat er in dit geval in het geheel geen loon is betaald en dus niet gebrekkig maar helemaal niet is gepresteerd, is het op z’n minst opmerkelijk te noemen dat verzoeker pas na jaren waarin hij naar eigen zeggen geen loon heeft ontvangen (maar wel een WMO-uitkering) en nadat hij ruzie met Houtproducten heeft gekregen, de onderhavige procedure is begonnen. Nu niet voldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van betaald of bedongen loon zoals verzoeker heeft gesteld, is niet voldaan aan een van de vereiste elementen waaraan voldaan moet zijn voor het kwalificeren van de werkrelatie als arbeidsovereenkomst. Reeds om die reden kan de werkrelatie niet gekwalificeerd worden als arbeidsovereenkomst. Ten overvloede wordt ter zake van de gezagsverhouding nog het volgende overwogen. Uit de door verzoeker overgelegde WhatsApp-correspondentie blijkt dat verzoeker en zijn contactpersoon bij Houtproducten elkaar over en weer verzoeken doen om zaken uit te zoeken of te regelen en elkaar op de hoogte houden van de door hen voor Houtproducten.nl verrichte werkzaamheden. Er werd over zaken overlegd, er werden voorstellen over en weer gedaan en de ene keer kwam er een verzoek aan verzoeker en de andere keer was dat andersom. Dat Houtproducten hierin een beslissende en leidende rol had, blijkt hier niet uit. De verhouding tussen verzoeker en Houtproducten zoals die uit de WhatsApp-correspondentie blijkt, lijkt veel meer op een zakelijke samenwerking, waarbij ieder een eigen rol en werkzaamheden had, dan op een werkgever-werknemerverhouding waarbij gezag over verzoeker werd uigeoefend. Verzoeker wordt in de proceskosten veroordeeld.