Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 17 oktober 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:13114
Feiten
Werknemer is op 1 april 2024 in dienst getreden bij werkgever in de functie van commercieel directeur prefab, tegen een loon van € 10.000 bruto per maand. In het proces-verbaal van de schikking die tussen partijen is getroffen tijdens de mondelinge behandeling op 9 juli 2024 bij de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam zijn de tussen partijen gemaakte afspraken vastgelegd. Onder meer is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt per 1 september 2024, dat werknemer tot die datum is vrijgesteld van werk, dat de vakantiedagen worden geacht te zijn opgenomen en daarom niet worden uitbetaald en dat werkgever aan werknemer binnen een maand na het einde van het dienstverband een beëindigingsvergoeding van € 30.000 bruto betaalt. Partijen hebben elkaar in deze vaststellingsovereenkomst finale kwijting verleend. Werknemer heeft over de maand augustus 2024 niet zijn volledige loon ontvangen. Daarnaast is een beëindigingsvergoeding van € 11.180,35 netto voldaan, terwijl het netto-equivalent van € 30.000 bruto € 15.150 netto is. Pas onder druk van executoriaal beslag op de bankrekening van werkgever is werkgever ‘onder protest’ tot betaling van het salaris over augustus 2024 en het restant aan beëindigingsvergoeding overgegaan. Werknemer vordert veroordeling van werkgever tot betaling van bedragen aan wettelijke verhoging, rente en kosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Werkgever toerekenbaar tekortgeschoten in nakoming vaststellingsovereenkomst
Werkgever heeft ten onrechte € 6000 bruto ingehouden op het salaris over de maand augustus 2024 in verband met een beweerdelijk negatief saldo aan verlofdagen. Dit rijmt niet met de afspraken in de vaststellingsovereenkomst, waarin partijen finale afspraken hebben gemaakt over vrijstelling van werk en over de vakantiedagen. Duidelijk is voorts dat overeengekomen is dat werkgever aan werknemer een beëindigingsvergoeding zou betalen van € 30.000 bruto, wat – afgezien van een verkeersboete van € 90, die werkgever op de vergoeding heeft mogen inhouden – ten onrechte niet volledig en niet op tijd is gebeurd.
Buitengerechtelijke kosten
Naar het oordeel van de kantonrechter getuigt het van slecht werkgeverschap dat werkgever en de vennoten niet tot (tijdige) uitbetaling zijn overgegaan van het volledige loon over de maand augustus 2024 en de beëindigingsvergoeding en dat door dat na te laten afspraken neergelegd in het proces-verbaal van de vaststellingsovereenkomst niet zijn nagekomen. Omdat werkgever op deze wijze tekort is geschoten heeft werknemer schade geleden, want hij is genoodzaakt geweest zijn gemachtigde in te schakelen en dus kosten te maken om werkgever en de vennoten te bewegen tot betaling over te gaan. Dat laatste, de buitengerechtelijke inning van de bedragen aan loon en beëindigingsvergoeding, is pas gebeurd na behoorlijk wat correspondentie over en weer en uiteindelijk executoriaal beslag op de bankrekening van werkgever. Tegen deze achtergrond komen naar het oordeel van de kantonrechter de kosten voor de werkzaamheden van de gemachtigde, gemaakt tijdens het buitengerechtelijke traject, voor volledige vergoeding in aanmerking op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder c BW. Dit komt in dit geval neer op € 2.722,50 inclusief btw. Het is redelijkerwijs noodzakelijk geweest om deze kosten te maken en de hoogte van deze kosten wordt ook redelijk geacht.
Wettelijke verhoging en rente
Werknemer heeft pas op 1 december 2024, dus veel te laat, het resterende bedrag van het loon over de maand augustus 2024 ontvangen. Werknemer heeft recht op 50% aan wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW over het bedrag van € 6.000 bruto wegens vertraging in de uitbetaling. Voormelde gang van zaken – naar het oordeel van de kantonrechter is sprake geweest van kwaadwillig niet betalen – geeft reden om de wettelijke verhoging niet te beperken. Daarom wordt € 3.000 bruto (50% van € 6.000) toegewezen. Er wordt tot slot € 105 bruto aan wettelijke rente toegewezen.
