Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland, 7 oktober 2025Feiten
Werknemer is op 1 maart 2010 als managing director in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) werkgeefster. Op 13 juni 2025 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden. Aan werknemer zijn vragen gesteld over onder meer de oprichting van een concurrerende eigen onderneming. Na dit gesprek is werknemer vrijgesteld van werkzaamheden. Een dag later is aan werknemer medegedeeld dat werkgeefster het voornemen heeft hem op staande voet te ontslaan, onder meer vanwege het ondernemen van stappen om een eigen bedrijf te beginnen in dezelfde branche als werkgeefster, vanwege het in dit kader benaderen van klanten/zakenrelaties van werkgeefster en vanwege het doen van nadelige uitspraken over werkgeefster. Werkgeefster heeft werknemer een eenmalig voorstel gedaan tot een schikking te komen. Werknemer is niet op dat voorstel ingegaan, waarna werkgeefster op 19 juni 2025 daadwerkelijk is overgegaan tot ontslag op staande voet. Werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet onterecht is en toekenning van vergoedingen. Werkgeefster verzoekt een verklaring voor recht dat werknemer aansprakelijk is voor de door haar in dit kader geleden schade.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Ontslag op staande voet rechtsgeldig
Er is voldaan aan het onverwijldheidsvereiste. In rechtspraak is aanvaard dat een ontslag op staande voet ook onverwijld is gegeven in een geval als hier aan de orde, waarin de werkgever mededeling doet van het voornemen tot ontslag en van de dringende reden, en tegelijkertijd aan de werknemer een voorstel doet voor een andere vorm van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, en die werknemer een korte termijn laat voor beraad over dat voorstel. Het door werkgeefster gegeven ontslag voldoet aan de voorwaarden van deze rechtspraak. Voorts is sprake van een dringende reden voor ontslag op staande voet. Vast staat dat werknemer vanaf april 2024 zonder medeweten van werkgeefster actief is geweest met het onderzoeken van de mogelijkheden een bedrijf op te zetten in dezelfde branche als die van werkgeefster en dat hij in dat kader op zoek was naar investeerders. Ook staat vast dat werknemer in april 2024 een zakelijke relatie en klant van werkgeefster heeft benaderd met de vraag of zij bereid was te investeren in de onderneming van werknemer. Uit overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat er tot augustus 2024 verschillende gesprekken hebben plaatsgevonden. De kantonrechter oordeelt dat het voorgaande een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Het is een ernstige schending van de verplichtingen van werknemer als goed werknemer om tijdens zijn dienstverband dergelijke concurrerende activiteiten te ontplooien, zonder daarover transparant te zijn. Hierbij weegt mee dat werknemer als statutair bestuurder en managing director van werkgeefster juist de specifieke taak en verantwoordelijkheid had om het belang van werkgeefster te dienen en voorop te stellen. Dat partijen geen expliciet verbod op het verrichten van nevenactiviteiten zijn overeengekomen, doet aan het voorgaande niets af. Het ontslag op staande voet is terecht gegeven en rechtsgeldig. Werknemer heeft geen recht op vergoedingen; ook niet op de transitievergoeding, nu het voorgaande ernstig verwijtbaar handelen oplevert. Werknemer is een gefixeerde schadevergoeding van € 13.343.75 verschuldigd aan werkgeefster.
Aansprakelijkheid werknemer
De kantonrechter ziet voldoende grond voor verwijzing naar de schadestaat. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is immers voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden, aannemelijk is. Dat is hier het geval, omdat denkbaar is dat werkgeefster mogelijk schade zou kunnen lijden doordat de betrokken klant minder of anders zal investeren in of handelen met werkgeefster, dan wel doordat de reputatie van werkgeefster is geschaad. De kantonrechter verklaart voor recht dat werknemer aansprakelijk is op grond van artikel 7:611 BW, artikel 6:162 BW dan wel artikel 2:9 BW, deze schade nader op te maken bij staat.
