Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 15 oktober 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:12584
Feiten
Werkneemster is op 1 september 2016 als medewerkster dienstverlening F (medior erfpachtbeheerster) in dienst getreden bij de gemeente Amsterdam. Tussen werkneemster en de gemeente is op enig moment discussie ontstaan over de invulling van de vacature tot senior erfpachtbeheerster. Op 22 januari 2024 heeft werkneemster zich ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat er sprake is van een medische aandoening en dat werkgerelateerde factoren hebben bijgedragen aan het verzuim. In onderhavige procedure verzoekt de gemeente de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, zonder toekenning van een transitievergoeding. Volgens de gemeente heeft werkneemster verwijtbaar gehandeld door zonder deugdelijke grond en ondanks talloze verzoeken en aanmaningen niet te voldoen aan haar re-integratieverplichtingen. Zo was werkneemster, volgens de gemeente, meermaals niet bereikbaar en heeft zij geweigerd aan de door de bedrijfsarts voorgestelde mediation en interne gesprekken mee te werken. Ook heeft zij niet meegewerkt aan het opstellen van een eerstejaarsevaluatie en de bijstelling van het plan van aanpak.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat er een redelijke grond is voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk de primair aan het verzoek ten grondslag gelegde ‘e-grond’. De kantonrechter komt tot de conclusie dat werkneemster zonder deugdelijke grond haar re-integratieverplichtingen met betrekking tot het voeren van gesprekken en mediation en met betrekking tot de eerstejaarsevaluatie en het plan van aanpak niet is nagekomen. Daarbij is van belang dat de bedrijfsarts partijen meermaals heeft geadviseerd met elkaar in gesprek te blijven en het conflict op te lossen via mediation. Werkneemster heeft zich daarentegen onvoldoende meewerkend en te star opgesteld. Tot ondertekening van een mediationovereenkomst en inhoudelijke mediation is het namelijk nooit gekomen, omdat werkneemster maar vragen aan de mediator bleef stellen. Het valt werkneemster daarom te verwijten dat mediation niet van de grond is gekomen. Zij heeft pas zelf weer mediation voorgesteld aan het einde van het traject, nadat de gemeente het ontbindingsverzoek al had ingediend. Daar komt bij dat werkneemster herhaaldelijk heeft geweigerd in gesprek te gaan met de door de gemeente voorgestelde gesprekspartners, terwijl het niet aan de werknemer is om te bepalen met welke personen en op welke voorwaarden gesprekken binnen een re-integratietraject worden gevoerd. Werkneemster heeft bovendien ook niet of in ieder geval onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom zij niet in staat zou zijn om mee te werken aan haar re-integratie. Zij heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een second opinion of deskundigenoordeel aan te vragen. De kantonrechter stelt vast dat de gemeente werkneemster wel eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van haar re-integratieverplichtingen, het loon van werkneemster om die reden (terecht) heeft gestaakt en in onderhavige procedure een deskundigenverklaring van het UWV heeft overgelegd. Daarmee heeft de gemeente aan alle formele vereisten voldaan om tot ontbinding over te kunnen gaan. Het opzegverbod tijdens ziekte staat de ontbinding niet in de weg, nu werkneemster zonder deugdelijke grond haar re-integratieverplichtingen weigert na te komen. Omdat de kantonrechter het handelen van werkneemster slechts verwijtbaar en niet ernstig verwijtbaar acht, zal de ontbinding worden uitgesproken per 1 december 2025 en wordt werkneemster een transitievergoeding toegekend.
