Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Gelderland (Locatie Nijmegen), 24 oktober 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:9457
Bedrijf is feitelijk beëindigd, maar werkgever onderneemt geen stappen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen en betaalt het loon niet. Werkneemster verzoekt ontbinding.

Feiten

Werkneemster is sinds 24 februari 1993 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) werkgever in de functie van verkoopmedewerkster II van het filiaal met een loon van € 2.093,16 bruto per vier weken inclusief vakantietoeslag en exclusief overige emolumenten. Werkgever heeft op 1 november 2021 het filiaal overgenomen en als eenmanszaak geëxploiteerd. De vestiging is per 1 oktober 2024 gesloten naar aanleiding van het besluit van het moederbedrijf. Werkneemster heeft een procedure in kort geding tegen werkgever gevoerd in verband met achterstallig salaris. Bij het vonnis van 3 februari 2025  is werkgever veroordeeld tot betaling van het (achterstallige) loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zou worden beëindigd. Omdat werkgever ook na het gewezen vonnis niet tot betaling is overgegaan, heeft werkneemster een deurwaarder de opdracht gegeven het vonnis te executeren. Op die manier heeft zij wel enig bedrag verhaald, maar niet de gehele loonvordering. Werkgever heeft de arbeidsovereenkomst tot op heden niet beëindigd. Werkneemster verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen met ingang van 31 augustus 2025 te ontbinden, met toekenning van € 24.582,13 bruto aan transitievergoeding en € 54.422,16 aan billijke vergoeding. Zij stelt dat ondanks verschillende sommaties en een gerechtelijke procedure tot op heden geen ontslagvergunning bij het UWV is aangevraagd. Werkgever betaalt ook geen loon, waardoor zij zich in een benarde financiële situatie bevindt. Ze kan geen uitkering krijgen en moet interen op haar reserves om rond te komen. Werkgever is niet verschenen.

Oordeel

De kantonrechter verbindt aan het niet verschijnen van werkgever het gevolg dat de stellingen van werkneemster niet zijn betwist, zodat die stellingen voor juist worden gehouden. Bij de beoordeling van de verzochte ontbinding stelt de kantonrechter voorop dat betaling van loon een van de hoofdverplichtingen van de werkgever uit hoofde van de arbeidsovereenkomst is. Tussen partijen staat vast dat werkgever het loon vanaf 1 oktober 2024 – afgezien van het bedrag dat door executiemaatregelen is ontvangen – niet meer heeft betaald. De arbeidsovereenkomst wordt op grond van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever ontbonden per 1 november 2025. Werkgever is de transitievergoeding verschuldigd evenals een billijke vergoeding van € 5.000 bruto, omdat hij geen ontslagvergunning heeft aangevraagd als gevolg waarvan werkneemster tot op heden geen (WW-)uitkering heeft kunnen aanvragen bij het UWV