Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 4 november 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:12445
Feiten
Werknemer is op 17 maart 2025 bij werkgeefster in dienst getreden als automonteur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 16 oktober 2025) tegen een salaris van € 2.950 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Op 29 juli 2025 is werknemer op staande voet ontslagen onder meer omdat hij collega’s onder druk zou hebben gezet om hem geld te lenen, geldproblemen heeft en om voorschotbetalingen heeft verzocht. Werknemer verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen en werkgeefster te veroordelen tot wedertewerkstelling en betaling van loon vanaf 1 juli 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Hij is van mening dat het ontslag niet rechtsgeldig is omdat de dringende reden ontbreekt en het ontslag bovendien niet onverwijld is gegeven.
Oordeel
Werkgeefster heeft op de zitting laten weten dat zij het ontslag op staande voet intrekt. Daardoor heeft werknemer geen belang meer bij de verzochte vernietiging van dat ontslag, zodat dit verzoek zal worden afgewezen. De intrekking van het ontslag heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst voortduurt en werknemer recht heeft op loon. Omdat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd inmiddels op 16 oktober 2025 van rechtswege is geëindigd, wordt de verzochte loondoorbetaling inclusief de wettelijke verhoging tot aan deze einddatum toegewezen. De verzochte wedertewerkstelling wordt (gelet op het einde van de arbeidsovereenkomst) afgewezen. De kantonrechter ziet in de ontslagbrief van 29 juli 2025 geen enkele rechtvaardiging voor het uitblijven van de loonbetaling. De ontslagredenen hebben betrekking op de periode tot het loonbeslag van 11 juli 2025 en leveren geen dringende reden op. In dit verband overweegt de kantonrechter dat financiële problemen van werknemer (waaronder een loonbeslag) geen reden zijn om het dienstverband per direct te beëindigen, dat het werknemers in beginsel vrijstaat om een voorschot op het salaris en/of een geldlening te vragen, en dat van bedreiging en/of chantage niet is gebleken (terwijl daar bovendien niets over in de ontslagbrief staat). De kantonrechter begrijpt dat werkgeefster een beroep doet op (gedeeltelijke) verrekening van het salaris over de periode juli-oktober 2025 met een aantal loonbeslagen en een openstaande geldlening van € 1.300. Werknemer heeft niet betwist dat het bedrag van de geldlening met het achterstallig salaris kan worden verrekend, zodat de kantonrechter heeft bepaald dat werkgeefster dit bedrag mag verrekenen met het salaris over juli 2025.
