Naar boven ↑

Rechtspraak

Cosco Shipping Lines (Netherlands) B.V./werkneemster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 29 oktober 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:13131
Ontbindingsverzoek werkgever afgewezen. Dat partijen verschillend denken over de functie-inrichting en de rol van werkneemster binnen de HR-afdeling, maakt volgens de kantonrechter niet dat er sprake is van een duurzaam en ernstig verstoorde arbeidsverhouding.

Feiten

Werkneemster is vanaf 1 november 1999 bij Cosco Shipping Lines B.V. (hierna: ‘Cosco’) in dienst. In januari 2025 heeft Cosco besloten een nieuwe HR-manager aan te stellen. Wijziging in de inrichting van de HR-afdeling was volgens Cosco nodig, omdat er behoefte was aan een meer strategisch opererende HR-Manager. De HR-manager zou boven werkneemster komen te staan. Werkneemster zou daarbij volgens Cosco haar werkzaamheden als HR-adviseur kunnen blijven vervullen. In de periode daarna zijn over dit besluit diverse gesprekken gevoerd. Daarbij heeft Cosco steeds benadrukt dat werkneemster werd gewaardeerd om haar inzet en werkzaamheden en dat zij deze in de rol van HR-adviseur kon blijven voortzetten. Naast het functievoorstel is op 30 januari 2025 ook een voorstel tot beëindiging van haar dienstverband gedaan. Daarbij heeft Cosco wederom steeds benadrukt dat werkneemster ook gewoon in dienst kon blijven. Werkneemster heeft dit voorstel niet geaccepteerd. Op 13 maart 2025 heeft een mediationgesprek plaatsgevonden. Ook tijdens dit gesprek is benadrukt dat werkneemster kon blijven werken op de HR-afdeling. Vervolgens is werkneemster vrijgesteld van werk; volgens Cosco om werkneemster ruimte te geven om de ontwikkelingen af te wachten. Uiteindelijk heeft werkneemster op 17 april 2025 laten weten waar zij met betrekking tot het functievoorstel moeite mee had. In die brief schrijft haar gemachtigde onder meer: “Op basis van een volstrekt niet onderbouwd oordeel als zou cliënte ‘competenties missen op het gebied van leiderschap, communicatie en visie’ komt er uit het niets een voorstel dat erop neerkomt dat cliënte moet instemmen met een demotie en een forse vermindering van haar arbeidsvoorwaarden.” In dezelfde periode heeft werkneemster een klacht vanwege ongelijke behandeling ingediend tegen de Deputy Managing Director. Deze klacht zag op vrouwonvriendelijk en discriminerend gedrag dat zij had gehoord op de afdeling. Op 4 juni 2025 heeft uiteindelijk nog een mediationgesprek plaatsgevonden, maar dit heeft nergens toe geleid. Cosco verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden, omdat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond).

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Dat de verhouding tussen partijen inmiddels onder druk staat en deuken heeft opgelopen, blijkt wel uit de over en weer gedane uitlatingen en het feit dat partijen inmiddels tegenover elkaar staan in deze procedure. Dat betekent echter nog niet dat er sprake is van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Tot het moment dat werkneemster een inhoudelijke reactie gaf op het functievoorstel en zij de klacht tegen de Deputy Managing Director indiende, was er kennelijk voor Cosco nog geen reden om niet met werkneemster verder te kunnen. De kantonrechter constateert dat partijen weliswaar op onderdelen verschillend denken, met name over de functie-inrichting en de rol van werkneemster binnen de HR-afdeling, maar dat is onvoldoende om te kunnen zeggen dat de verhoudingen tussen partijen zodanig zijn beschadigd dat een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet meer van Cosco gevergd kan worden. Ook het indienen van een klacht betekent op zichzelf niet dat er sprake is van een verstoring van de arbeidsverhouding met Cosco. Het staat een werknemer immers vrij om een melding of klacht te doen van (vermeend) ongewenst gedrag. Dat de relatie tussen werkneemster en de Deputy Managing Director hierdoor onder druk staat, betekent niet dat deze niet te herstellen is. Zeker gezien het langdurig dienstverband van werkneemster en haar vlekkeloos functioneren mag van Cosco naar het oordeel van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden verwacht worden dat zij zich inspant om de HR-afdeling zodanig te (re)-organiseren dat werkneemster haar werkzaamheden kan voortzetten, dan wel dat Cosco zich inspant om in overleg met werkneemster te kijken naar een andere passende functie binnen de organisatie. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Cosco te snel naar het middel van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst gegrepen en gaat het niet aan dat Cosco van de ene op de andere dag werkneemster confronteert met het gegeven dat zij onvoldoende strategisch opereert en haar tevens confronteert met een demotie.