Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemers
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 7 november 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:13003
Kort geding. Werknemers zijn gebonden aan het concurrentiebeding omdat het besluit van de bestuurder tot ontheffing hiervan vernietigbaar is, hetgeen de werknemers kan worden tegengeworpen.

Feiten

Werkgeefster is opgericht door twee broers, A en B, en is een uitzendbureau in de technieksector. In de loop van 2025 hebben de broers ruzie gekregen. B heeft op 9 juli 2025 bedrijf B opgericht. Bedrijf B richt zich net als werkgeefster op de uitzendbranche in de technieksector. De gedaagden in deze procedure betreffen vier werknemers die bij werkgeefster als adviseur in dienst waren. Werknemers C, D en E hadden in hun arbeidsovereenkomsten een concurrentie- en relatiebeding en het daarmee samenhangende boetebeding afgesproken (hierna: ‘de bedingen’). Werknemer F had een contract voor bepaalde tijd, zonder deze bedingen. B heeft de drie werknemers eind augustus 2025 via een addendum ontheven uit de bedingen. De werknemers hebben vervolgens gelijktijdig hun arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 oktober 2025 en zijn alle vier per diezelfde datum in dienst getreden van bedrijf B. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van 13 oktober 2025 geoordeeld dat B en bedrijf B onrechtmatig handelen jegens werkgeefster en dat bedrijf B al geruime tijd bezig is het duurzame bedrijfsdebiet van werkgeefster af te breken (ECLI:NL:RBROT:2025:11880). In deze kortgedingprocedure eist werkgeefster dat het de werknemers met onmiddellijke ingang wordt verboden om (1) werkzaam te zijn voor een concurrent van werkgeefster, waaronder bedrijf B, en (2) klanten, kandidaten en/of opdrachtgevers van werkgeefster te benaderen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het is voldoende aannemelijk dat in een gewone procedure wordt geoordeeld dat werknemers C, D en E nog gebonden zijn aan hun bedingen en dat hun indiensttreding bij bedrijf B in strijd is met het concurrentiebeding. B heeft de werknemers eind augustus 2025 ontheven uit de bedingen. Hij was daartoe in beginsel bevoegd, aangezien hij op dat moment nog bestuurder was van werkgeefster en zelfstandig bevoegd was om de vennootschap te vertegenwoordigen. Hij handelde hiermee naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter echter evident in strijd met de belangen van werkgeefster door zich te laten leiden door zijn persoonlijk belang als bestuurder/eigenaar van bedrijf B (artikel 2:239 lid 5 en 6 BW). B had dit besluit dus niet zelfstandig mogen nemen en daarom is het besluit vernietigbaar (artikel 2:15 lid 1 sub a BW). Hoewel werkgeefster het besluit alleen nog buitengerechtelijk heeft vernietigd, is de kantonrechter vooruitlopend op een vernietiging door de rechtbank – de procedure heeft werkgeefster al aangekondigd – voorshands van oordeel dat de vernietigbaarheid van het besluit aan de werknemers kan worden tegengeworpen (artikel 2:16 lid 2 BW). De werknemers hebben tijdens de zitting erkend dat – toen zij met een addendum op hun arbeidsovereenkomst werden vrijgesteld van de bedingen – al duidelijk was dat zij in dienst zouden treden bij bedrijf B en dat zij bovendien wisten dat bedrijf B een concurrent was van werkgeefster. Ook waren zij ervan op de hoogte dat er strijd was tussen B en A. in die omstandigheden moet het voor hen duidelijk zijn geweest dat B een tegenstrijdig belang had bij de beslissing om hen vrij te stellen van hun bedingen. De werknemers hebben als tegeneis schorsing van de bedingen gevorderd. Deze tegeneis wordt afgewezen. De werknemers worden door de bedingen niet onbillijk benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van werkgeefster (artikel 7:653 lid 3 sub b BW). Werkgeefster ziet zich geconfronteerd met een situatie waarin vier van de zeven adviseurs aansluitend aan hun vertrek bij werkgeefster in dienst zijn getreden van een directe concurrent, opgericht door één van de eigenaren van werkgeefster. Zoals de voorzieningenrechter ook heeft geoordeeld is sprake van onrechtmatige concurrentie door B en bedrijf B. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Tegen deze achtergrond heeft werkgeefster er juist groot belang bij dat de bedingen van de drie werknemers onverkort in stand blijven.

Werknemer F is niet gebonden aan een concurrentie- en/of relatiebeding, want zo’n beding is werkgeefster niet met hem overeengekomen. Dat betekent niet dat hij zijn vrije gang mag gaan. Ook zonder een dergelijk beding mag een werknemer niet onrechtmatig concurreren met zijn voormalig werkgever (artikel 6:162 BW). Daarvan is alleen niet snel sprake. De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster onvoldoende heeft onderbouwd dat in de praktijk sprake is geweest van (onrechtmatige) concurrentie. Er is daarom onvoldoende grond om werknemer te veroordelen om zijn werkzaamheden voor bedrijf B te staken of hem te verbieden om werkzaam te zijn voor een andere concurrent van werkgeefster. Wel zal de kantonrechter gelet op de bijzondere omstandigheden, die deze ordemaatregel rechtvaardigt, werknemer F ook verbieden om zakelijke contacten te onderhouden met klanten, kandidaten en/of opdrachtgevers van werkgeefster, zoals omschreven in de veroordeling.