Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 21 oktober 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:6554
Feiten
Werknemer is op 5 maart 2019 als chauffeur in dienst getreden bij My Logistics B.V. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Beroepsgoederenvervoer van toepassing. In de cao is een vergoeding voor diensturen op zaterdag, zondag en feestdagen opgenomen van 50% (extra). Per 12 februari 2022 is de arbeidsovereenkomst geëindigd. Op de maandelijkse loonstroken van mei 2019 tot en met maart 2021 is telkens voor een bepaald aantal uren, variërend tussen 19,50 en 26,10 uur, een tarieftoeslag opgenomen van 50%. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd dat My Logistics aan hem zaterdagtoeslag van in totaal € 5.202,27 bruto nabetaalt, vermeerderd met wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. My Logistics meent dat zij werknemer geen zaterdagtoeslag hoeft na te betalen, omdat sprake is van finale kwijting tussen partijen, rechtsgeldig een arbeidsomvang van 36 uur is afgesproken met behoud van 40 uur salaris waarin de zaterdagtoeslag is opgenomen, werknemer nooit heeft geklaagd over de manier waarop My Logistics met de zaterdagtoeslag omging en hij ook uitgaat van de verkeerde omvang van de vordering nu hij niet wekelijks 40 uur werkte. De kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer voor een belangrijk deel toegewezen. My Logistics is vervolgens in hoger beroep gegaan.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Geen finale kwijting
Naar het oordeel van het hof mocht My Logistics er niet van uitgaan dat het de bedoeling van werknemer was om afstand te doen van vorderingsrechten uit de cao. Tussen partijen is dat op geen enkel moment onderwerp van gesprek geweest en My Logistics heeft ook geen uitleg gegeven waarom werknemer het initiatief heeft genomen of zou hebben willen nemen om afstand te doen van vorderingsrechten.
Geen rechtsgeldige afspraak
Het hof stelt verder vast dat de arbeidsomvang van werknemer 40 uur was en niet 36 uur, zoals My Logistics stelt. Nergens blijkt immers uit dat partijen een andere omvang hebben afgesproken. Bij een overeengekomen arbeidsomvang van 40 uur moet My Logistics op grond van de cao in beginsel het loon over 40 uur betalen en daarbovenop een toeslag van 50% voor alle uren die op zaterdag zijn gewerkt. Een afspraak dat in het loon van 40 uur al de zaterdagtoeslagen zijn opgenomen komt daarmee in strijd en is op grond van artikel 12 WCAO nietig. Dat My Logistics op de loonstroken heeft vermeld welk deel van de betaling voor 40 uur de zaterdagtoeslag was (‘Tarieftoeslag 50%’ met vermelding van een aantal uur) maakt dat niet anders. Dit alles leidt ertoe dat werknemer in beginsel recht heeft op betaling van zaterdagtoeslag over de door hem gewerkte uren op zaterdagen in de periode 5 maart 2019 tot en met 30 september 2021.
Geen strijd met de klachtplicht
De klachtplicht speelt alleen in gevallen van ondeugdelijke nakoming en niet (mede) in gevallen waarin in het geheel geen prestatie is verricht. Het hof stelt vast dat het volledige reguliere loon voor 40 uur is betaald, maar dat de zaterdagtoeslag niet is betaald. Het moeten betalen van het loon is geregeld in artikel 13 lid 1 van de cao, terwijl de plicht om zaterdagtoeslag in geld te betalen voortvloeit uit artikel 33 van de cao. Die laatste prestatie is in het geheel niet verricht zodat My Logistics onder deze omstandigheden geen beroep toekomt op het niet-naleven van de klachtplicht.
Aantal gewerkte uren op zaterdag staat niet vast
Het hof moet vervolgens vaststellen op hoeveel zaterdagtoeslag werknemer recht heeft en maakt daarbij een onderscheid tussen drie perioden. Voor de berekening van de verschuldigde zaterdagtoeslag in de periode 5 maart 2019 tot en met 31 december 2019 is uit de urenstaten nog niet af te leiden of en zo ja welke van de genoemde gewerkte data op zaterdag vallen. Aan partijen wordt daarom de gelegenheid gegeven om zich nader uit te laten over het aantal uur waarover in deze periode zaterdagtoeslag betaald moet worden. Voor de periode tussen 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2021 heeft werknemer weekroosters overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat werknemer 26,1 zaterdaguren per maand heeft gewerkt. Weliswaar heeft hij die niet over elke week in het geding gebracht maar wel zodanig veel en zodanig verspreid over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2021 dat aannemelijk is dat werknemer met grote regelmaat op zaterdag heeft gewerkt. Voor deze periode gaat het hof daarom uit van het recht op zaterdagtoeslag over maandelijks 26,1 uren. Voor de periode van 1 april 2021 tot en met 30 september 2021 heeft My Logistics urenstaten met handtekeningen in het geding gebracht. Werknemer betwist dat hij deze urenstaten heeft ondertekend. Het hof zal daarom op verzoek van My Logistics een handschriftdeskundige benoemen.
Geen recht op verrekening
Tot slot oordeelt het hof dat My Logistics niet gerechtigd was het, volgens haar, te veel betaalde loon van werknemer te verrekenen. Het gegeven dat uit de werkroosters volgt dat werknemer steeds minder dan 40 uur per week heeft gewerkt, komt voor haar rekening en risico. Het ligt immers in de macht van My Logistics om ervoor te zorgen dat werknemer zijn uren maakt, nu zij door inroostering bepaalt op welke dagen werknemer voor welke werkzaamheden wordt ingezet.
De zaak wordt aangehouden, zodat partijen zich over de hierboven genoemde zaken kunnen uitlaten. Het hof geeft partijen daarbij nog in overweging om op basis van wat hiervoor is geoordeeld en overwogen met elkaar in overleg te treden voor het bereiken van een minnelijke regeling.
