Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 29 oktober 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:12393
Feiten
In het kader van zijn opleiding hbo-ICT aan de Hogeschool van Amsterdam (hierna: ‘HvA’), heeft de stagiair een stageovereenkomst gesloten met Midland Circle B.V. (hierna: ‘Midland’), voor de periode van 5 september 2022 tot 3 februari 2023. In de stageovereenkomst hbo-ICT deel 2 (tussen de HvA, Midland en de stagiair) is onder meer opgenomen: “Het Bedrijf is aansprakelijk voor letsel of schade, welke de Stagiair lijdt tijdens of in verband met zijn aanwezigheid bij het Bedrijf dan wel bij de uitvoering van zijn stagewerkzaamheden, tenzij het Bedrijf aantoont dat hij de in artikel 7:658 lid Burgerlijk Wetboek genoemde verplichtingen is nagekomen, of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de Stagiair.” Op 10 januari 2023 was de stagiair met de directeur/grootaandeelhouder van Midland op locatie aan het werk bij een klant van Midland. Daar werd onder andere gewerkt aan de installatie van een server en de herinrichting van werkplekken. Toen op enig moment niemand aanwezig was, is de stagiair een bureau gaan demonteren waarbij hij gebruik heeft gemaakt van een schroeftol. Deze schoot uit zijn hand en kwam tegen zijn voortand aan die daardoor brak. In een brief van 17 januari 2023 stelt de stagiair Midland aansprakelijk voor de opgelopen schade.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet ter discussie staat dat in artikel 7:658 lid 4 BW is bepaald dat hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft – onder wie zoals in dit geval een stagiair – overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 van dat artikel aansprakelijk is voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Dit is overigens ook zo opgenomen in de stageovereenkomst. In dit geval staat niet ter discussie dat de stagiair bij de uitvoering van zijn werkzaamheden voor Midland letsel heeft opgelopen. Ter beoordeling ligt daarom voor of Midland de op haar rustende zorgplicht jegens de stagiair in acht heeft genomen. In het licht van onder meer de ruime strekking die de zorgplicht heeft, heeft Midland onvoldoende onderbouwd dat zij aan haar jegens de stagiair geldende zorgplicht heeft voldaan. Niet in geschil is dat Midland een paar dagen voor het ongeval aan de stagiair de opdracht heeft verstrekt een bureau uit elkaar te halen. Nadien bleek demontage niet meer nodig, maar hier was de stagiair niet van op de hoogte. Gesteld noch gebleken is dat Midland de opdracht expliciet heeft ingetrokken en/of dat zij instructies aan de stagiair heeft gegeven over de wijze waarop het bureau moest worden gedemonteerd en welke gereedschappen daarbij (al dan expliciet niet) gebruikt mochten worden. Door die instructies achterwege te laten en de keuze om tot demontage over te gaan en de wijze waarop dat gebeurde ter beoordeling aan de stagiair over te laten, heeft Midland onvoldoende invulling gegeven aan de op haar als werkgeefster rustende zorgplicht. Dat de stagiair op dat moment, zoals Midland heeft betoogd, niet de opdracht had om het bureau te demonteren en op eigen initiatief heeft gehandeld, maakt niet dat voldaan is aan de zorgplicht van Midland. Dit eigen initiatief kan en mag van een hbo-stagiair worden verwacht en past ook binnen de opdracht die Midland eerder had gegeven en niet meer had ingetrokken. Dat de stagiair bij het demonteren gebruik heeft gemaakt van een schroeftol die niet van Midland maar van haar opdrachtgever was, maakt de conclusie ook niet anders. Het staat immers vast dat deze schroeftol op de werkplek voorhanden was, hetgeen gelet op het feit dat Midland de stagiair niet heeft geïnstrueerd deze niet te gebruiken, voor haar eigen rekening komt. Dat de stagiair opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld is gesteld noch gebleken. Midland is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens de stagiair en zij is aansprakelijk voor de schade die hij ten gevolge van het ongeval lijdt.
