Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer c.s./werkgeefster c.s.
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie 's-Hertogenbosch), 27 juni 2025
ECLI:NL:RBOBR:2025:3727
Veroordeling werkgever tot betaling van schadevergoeding aan twee pensioengerechtigde werknemers. Werknemers hebben vanwege stoppen van indexatieregeling (omdat toeslagendepot leeg was) schade geleden. Hun is elk indexatieperspectief ontnomen. Nawerkend goed werkgeverschap.

Feiten

Werkgeefster is een beursgenoteerd bouwbedrijf dat al 100 jaar bestaat. Zij heeft ongeveer 4.700 werknemers in dienst. Twee werknemers (hierna: werknemers) zijn als gevolg van een overname van X B.V. in 2002 bij werkgeefster in dienst getreden. Zij zijn inmiddels pensioengerechtigd. De activiteiten van werkgeefster vallen onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (hierna: Bpf Bouw). Dit betekent dat werkgeefster verplicht is haar medewerkers te laten deelnemen in de pensioenregeling van Bpf Bouw. X B.V. had tot 1 januari 2014 een eigen pensioenregeling en was vrijgesteld van deelneming in Bpf Bouw. Werknemers hebben als voormalige medewerkers van X B.V. tot 1 januari 2014 pensioen opgebouwd onder deze vrijgestelde regeling. De pensioenaanspraken zijn in 2011 collectief overgedragen aan NN. De pensioenregeling veranderde inhoudelijk verder niet en bleef gelijkwaardig aan die van Bpf Bouw. Uiteindelijk is werkgeefster per 1 januari 2014 voor werknemers ook gaan deelnemen in Bpf Bouw, omdat werkgeefster de pensioenregeling wenste te harmoniseren voor alle medewerkers die onder de cao Bouw & Infra vallen. Werknemers zijn per 1 januari 2014 gaan deelnemen in Bpf Bouw. De pensioenaanspraken zijn premievrij achtergebleven bij NN. Het toepasselijke pensioenreglement van NN bevat een voorwaardelijke indexatieregeling voor gewezen deelnemers en gepensioneerden. Per 1 januari 2014 heeft werkgeefster met NN een bepaling uit de uitvoeringsovereenkomst gesloten voor het verlenen van toeslagen op pensioenen. Toeslagverlening aan gewezen deelnemers en gepensioneerden zou alleen plaatsvinden voor zover er voldoende middelen aanwezig zijn in het toeslagendepot. Het toeslagendepot is sinds 1 januari 2022 leeg. De toeslagverlening is als gevolg daarvan gestopt. Werknemers verzoeken onder meer een verklaring voor recht dat de bij NN ondergebrachte pensioenregeling van werkgeefster te allen tijde actuarieel en financieel gelijkwaardig dient te zijn aan de pensioenregeling van Bpf Bouw, zoals bepaald in artikel 7 lid 5 van het Vrijstellingsbesluit. Ook verzoeken zij een verklaring voor recht dat het nalaten van werkgeefster om zorg te dragen voor financiering van de indexaties in strijd is met het nawerkend goed werkgeverschap, alsook veroordeling van werkgeefster tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken in een schadestaatprocedure.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Gelijkwaardige pensioenregeling

Artikel 7 lid 5 van het Vrijstellingsbesluit bepaalt dat de pensioenregeling van de werkgever te allen tijde ten minste actuarieel en financieel gelijkwaardig is aan de pensioenregeling van Bpf Bouw. Deze bepaling geldt echter alleen ten tijde van de vrijstelling. Werkgeefster is deze bepaling ten tijde van de vrijstelling nagekomen (en ook na beëindiging van de vrijstelling per 1 januari 2014, namelijk tot 1 januari 2022, want pas toen heeft werkgeefster de voorwaardelijke indexatieregeling beëindigd, omdat het toeslagendepot leeg is). De gevorderde verklaringen voor recht in dit verband worden afgewezen.

Nawerkend goed werkgeverschap - schadevergoeding

Het beroep van werknemers op nawerkend goed werkgeverschap slaagt. Dit beroep kan gebaseerd worden op de kern van de heersende (John Crane) jurisprudentie, namelijk dat een (voormalig) werkgever voor (opgebouwde) pensioenaanspraken van (gewezen) werknemers, een zekere verantwoordelijkheid heeft (behouden). Werkgeefster heeft dus een zekere verplichting om ervoor te zorgen dat het indexatieperspectief van werknemers niet te veel verslechtert. De kantonrechter is van oordeel dat werkgeefster zich niet als goed werkgever heeft gedragen, omdat zij bij het opnemen van de indexatievoorwaarde in de uitvoeringsovereenkomst van de NN-Pensioenregeling geen passende voorzieningen voor werknemers heeft getroffen. Werknemers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij vanwege het stoppen van de indexatieregeling (omdat het toeslagendepot leeg was) schade hebben geleden, want hun is elk indexatieperspectief ontnomen. Werkgeefster had zich bij het opnemen van de voorwaardelijke indexatieregeling in het uitvoeringsbesluit kunnen en moeten realiseren dat de indexatievoorwaarde om enkel te indexeren bij voldoende middelen in het indexatiedepot voor gewezen deelnemers in de toekomst nadelig zou kunnen uitpakken. Verder is gesteld nog gebleken dat niet van werkgeefster kon en kan worden gevergd dat zij een passende (schade)vergoeding voor werknemers treft, om zo hun ontnomen indexatieperspectief te compenseren. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken in een schadestaatprocedure.