Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 24 april 2024
ECLI:NL:RBZWB:2024:2711
Feiten
Werkgeefster is een las- en constructiebedrijf met ongeveer dertien werknemers in dienst. Werknemer heeft in de periode van 12 februari 2018 tot 1 oktober 2018 op basis van een proefplaatsing (in de zin van de Participatiewet) werkzaamheden verricht voor werkgeefster. Daarna is hij op 1 februari 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van algemeen medewerker. De arbeidsovereenkomst is per 1 augustus 2019 verlengd voor onbepaalde tijd. Werknemer verdiende met zijn werkzaamheden bij indiensttreding een brutomaandloon van € 1.700 exclusief 8% vakantietoeslag. Het laatstverdiende maandsalaris bedroeg € 1.922,83 bruto exclusief 8% vakantietoeslag. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 1 juni 2023. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metaalbewerking (“cao”) van toepassing verklaard. In artikel 32b van de cao is de toepassing van de salaristabel Participatiewet vastgelegd. Het salaris van werknemer is gebaseerd op toepassing van artikel 32b cao. Werknemer is opgenomen geweest in het landelijk doelgroepregister. De inschrijving in dit register is tot stand gekomen via de zogenoemde praktijkroute. Deze sinds 1 januari 2017 bestaande route houdt in dat de gemeente aan de hand van een gevalideerde methodiek vaststelt of de persoon met een arbeidsbeperking zelf in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen op de werkplek. Is dat niet het geval, dan geeft de gemeente dit door aan het UWV en wordt de persoon met een arbeidsbeperking in het doelgroepregister opgenomen. Een extra beoordeling door het UWV is dan niet meer nodig. De beslissing waarin bepaald is dat werknemer werd opgenomen in het doelgroepregister is (anders dan had gemoeten) niet aan hem toegezonden. Werkgeefster heeft op 4 februari 2019 een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel van de gemeente Oosterhout ontvangen. Werkgeefster heeft in de periode van 1 februari 2019 tot 1 februari 2022 loonkostenvoordeel ontvangen voor werknemer. Werknemer vordert onder meer achterstallig loon omdat hij van mening is dat werkgeefster artikel 32b cao ten onrechte heeft toegepast. Volgens werkgeefster is werknemer niet-ontvankelijk in zijn vorderingen. Zijn vorderingen zijn gebaseerd op een onterechte en niet juist bekendgemaakte registratie in het doelgroepregister.
Oordeel
De inhoudelijke beoordeling concentreert zich op de betekenis van de zinsnede ‘naar het oordeel van het UWV’ in artikel 32b cao. Partijen zijn het er niet over eens hoe die zinsnede moet worden uitgelegd. Om te beoordelen hoe de zinsnede ‘naar het oordeel van het UWV’ in artikel 32b cao moet worden uitgelegd, past de kantonrechter de zogenoemde cao-norm toe. De cao-norm houdt in dat aan een cao-bepaling een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. De kantonrechter is van oordeel dat de zinsnede waar het hier om gaat zo moet worden uitgelegd dat het niet alleen gaat om een eigen beoordeling door het UWV van het verdienvermogen, maar ook om de vaststelling van het verdienvermogen van werknemer via de praktijkroute. Deze praktijkroute loopt via de gemeente, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Participatiewet. Naar het oordeel van de kantonrechter is het gelet op de wettelijke vastlegging van de praktijkroute met ingang van 1 januari 2017 onaannemelijk dat met de bewoordingen in de cao enkel gedoeld is op de route van de (theoretische) beoordeling van de verdiencapaciteit door het UWV zelf. In geval van werknemer is de praktijkroute toegepast. Dit betekent dat voldaan is aan alle voorwaarden die artikel 32b cao stelt. De vorderingen van werknemer worden afgewezen.
