Naar boven ↑

Rechtspraak

Kort geding. Concurrentiebeding in de makelaardij is niet zwaarder gaan drukken door het volgen van een opleiding tot registermakelaar/taxateur. Wel wordt het beding geschorst op grond van de belangenafweging.

Feiten

Werkgever is een makelaarskantoor met één vestiging. Werknemer is in 2005 bij werkgever in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 30 december 2011 hebben partijen een schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten waarin een relatie- en non-concurrentiebeding is opgenomen. Werknemer heeft een opleiding tot registermakelaar/taxateur gevolgd in 2016. Begin 2017 is hij als zodanig beëdigd bij de NVM. Werknemer bediende bij werkgever alleen particuliere klanten en was actief in de woningmakelaardij. Met ingang van 1 juli 2022 heeft werknemer bij een andere werkgever (hierna: B) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. B is ook een makelaarskantoor en is actief op het gebied van bestaande woningen, nieuwbouw, bedrijfspanden, vastgoedbeheer, verhuur en agrarisch onroerend goed. Op dit moment is werknemer werkzaam als makelaar bij B. Werknemer vordert in dit kort geding dat het non-concurrentiebeding terzijde wordt gesteld dan wel geschorst.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat er tussen partijen in 2011 door ondertekening van de schriftelijke arbeidsovereenkomst rechtsgeldig een non-concurrentiebeding tot stand is gekomen. Werknemer heeft primair betoogd dat dit beding zijn gelding heeft verloren nadat hij de opleiding voor registermakelaar/taxateur heeft afgerond, door de NVM als makelaar is beëdigd en als makelaar is gaan werken. Werkgever heeft dit betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ingrijpende functiewijziging én dat hierdoor het non-concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken. Uit hetgeen beide partijen hebben aangevoerd blijkt namelijk dat werknemer al voor zijn functiewijziging in 2017 als assistent-makelaar alle feitelijke werkzaamheden uitvoerde die een beëdigd makelaar uitvoerde zoals het begeleiden van bezichtigingen, het voeren van onderhandelingen met potentiële (ver)kopers, het opstellen van koopovereenkomsten én het uitvoeren van taxaties, echter alleen onder toezicht. Overigens is ook niet gebleken dat werknemer als gevolg van de promotie van assistent-makelaar naar makelaar/taxateur bij handhaving van het non-concurrentiebeding moeilijker een gelijkwaardige werkkring zou kunnen vinden. Kennelijk wordt hij door het non-concurrentiebeding hierin niet ernstig belemmerd aangezien hij thans bij B werkzaam is in een identieke dan wel vergelijkbare functie als bij werkgever. Een en ander leidt tot de conclusie dat het non-concurrentiebeding bij de functiewijziging in 2017 niet opnieuw overeengekomen had hoeven worden en aldus zijn gelding heeft behouden. Voorshands staat voldoende vast dat werknemer het non-concurrentiebeding overtreedt als hij bij de vestiging van B als makelaar/taxateur en kantoormanager aan de slag gaat. Op grond van een afweging van de wederzijdse belangen oordeelt de kantonrechter voorshands dat er grond bestaat om met ingang van 1 april 2023 (ervan uitgaande dat er op dat moment nog geen uitspraak is gedaan in een bodemprocedure) het non-concurrentiebeding te schorsen. Na die datum wordt de eventueel door werkgever te lijden concurrentieschade geacht voldoende te zijn beperkt, afgezet tegen het zwaarwegende persoonlijke belang van werknemer om zo snel mogelijk in zijn nieuwe functie te kunnen beginnen. Werkgever heeft dan een periode van negen maanden gehad om de nadelige gevolgen van het vertrek van werknemer te compenseren.