Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Noord-Holland, 14 november 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:13259
Een wezenlijke arbeidsrechtelijke beschermingsbepaling kan niet ondergraven worden door een branchespecifieke bepaling die niet arbeidsrechtelijk van aard is, maar gericht is op optimalisatie van de kwaliteit van het onderwijs.

Feiten

Werknemer is sinds 5 oktober 2016 in dienst bij werkgeefster. Werknemer is steeds ingezet op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van telkens één jaar. Het laatst gesloten contract liep op 31 juli 2025 af. Werknemer is gedurende het dienstverband ingezet als docent voor de zogeheten internationale schakelklas. Werknemer heeft formeel geen bevoegdheid om les te geven. Werkgeefster heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht  vanwege omstandigheden die redelijkerwijs aan voortzetting van de arbeidsovereenkomst in de weg staan.

Oordeel

De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of er tussen partijen in de loop der tijd een overeenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. De kantonrechter deelt niet de opvatting van werkgeefster dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd omdat onbevoegde docenten niet in dienst kúnnen zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaald tijd. De ketenregeling – die letterlijk in de cao herhaald is – is ingericht ter bescherming van de werknemer. Een dergelijk wezenlijke beschermingsbepaling kan niet ondergraven worden door een branchespecifieke bepaling die niet arbeidsrechtelijk van aard is, maar gericht is op optimalisatie van de kwaliteit van het onderwijs. Het is aan de werkgever om die wettelijke regels toe te passen en te zorgen dat hij daaraan voldoet. Dat hij dat vervolgens niet doet, kan niet aan de werknemer worden tegengeworpen. De conclusie is dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Werkgeefster heeft het einde van de arbeidsovereenkomst (in haar ogen nog: arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd) aangezegd tegen 1 augustus 2025. Dat handelen kwalificeert als een opzegging. Werknemer heeft zich ter zitting bij die opzegging neergelegd en maakt aanspraak op de billijke vergoeding van artikel 7:681 BW. De billijke vergoeding wordt door de kantonrechter gesteld op vijf maanden loon, en wordt verhoogd met € 1.500. Hoewel zonder kwade bedoelingen gedaan, heeft werkgeefster werknemer vanuit zakelijk oogpunt wel erg lang laten ‘bungelen’ in onzekerheid door steeds jaarcontracten af te sluiten (terwijl dat eigenlijk niet meer mocht) en dat heeft werkgeefster al die tijd – ook nog in de aanloop naar en tijdens deze procedure – vastgehouden, terwijl zij beter had moeten weten.