Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemers/ABN AMRO
Hoge Raad, 12 december 2025
ECLI:NL:HR:2025:1900
Bedingen van personal fee van cliƫnt door bankmedewerkers is dermate verwijtbaar dat aanspraak op bonus vervalt.

Feiten

ABN AMRO heeft een vestiging in Dubai, waar de voormalige business line Energy, Commodities & Transportation (hierna: ECT) gevestigd was. Bankier 1 is van 1 april 2003 tot 1 oktober 2013 in dienst geweest van ABN AMRO in de functie van Global Head of Energy Commodities. Bankier 2 is van 1 februari 2007 tot 1 september 2013 in dienst geweest van ABN AMRO als Head of Energy Commodities Dubai. Bankier 2 werkte in Dubai en zijn direct leidinggevende was Bankier 1. 

In 2010 is in opdracht van Bankier 1 en Bankier 2 een Enhanced Due Diligence (hierna: EDD) naar OMTI uitgevoerd. Aansluitend is de kredietfaciliteit van Oil Marketing & Trading International (OMTI) bij ABN AMRO door Bankier 1 en Bankier 2 stopgezet. Een aantal maanden later is deze op verzoek van OMTI weer hervat. ln de zomer van 2012 zijn de internationale sancties tegen Iran aangescherpt. Voor banken was vanaf dat moment niet alleen de directe financiering maar ook het faciliteren van olie van Iraanse oorsprong strikt verboden. In 2012 hebben Bankier 1 en Bankier 2 op 19 september 2012 en 15 november 2012 gedineerd met de directeur-aandeelhouder van OMTI. In dezelfde periode zijn bezwarende maatregelen getroffen door de bankiers tegen OMTI. In november 2012 heeft de directeur van OMTI een klracht ingediend bij ABN AMRO. De klacht hield in dat de bankiers OMTI tweemaal, op 19 september 2012 en 15 november 2012, om een personal fee van ongeveer USD 3,5 miljoen zouden hebben gevraagd en dat zij, toen OMTI weigerde, belastende maatregelen tegen haar hebben genomen. Op 26 maart 2013 zijn de bankiers op staande voet ontslagen wegens (i) het vragen van een personal fee aan OMTI op 19 september 2012 en 15 november 2012 en (ii) het nemen van vijf maatregelen tegen OMTI op 15 november 2012 of kort daarna. ABN AMRO heeft geweigerd de bonussen over 2011 en 2012 aan de bankiers te betalen. 

Het hof heeft na bewijsopdracht geoordeeld dat ABN AMRO is geslaagd in het bewijs dat de bankiers tot tweemaal toe hebben geprobeerd een personal fee te bedingen van OMTI. Tegen dit oordeel keren de bankiers zich in cassatie onder meer met de klacht dat niet zozeer het wel of niet bedingen van een personal fee, als wel de vermeende chantage had moeten worden bewezen. 

Conclusie A-G (Valk)

De klachten slagen niet. Het hof heeft onder ogen gezien dat ABN AMRO haar stellingen (a) dat Bankier 1 en Bankier 2 hebben getracht bij OMTI een personal fee te bedingen en (b) dat zij, na weigering van die fee, jegens OMTI belastende maatregelen hebben genomen, met elkaar in verband had gebracht. Het hof heeft dit echter niet begrepen als een zodanige koppeling dat volgens ABN AMRO uitsluitend de optelsom van beide haar weigering rechtvaardigt om aan Bankier 1 en Bankier 2 bonussen uit te betalen. In plaats daarvan heeft het hof het standpunt van ABN AMRO zo opgevat dat het trachten te bedingen van een personal fee bij een cliënt van de bank ook op zichzelf reeds een zodanig ernstig verwijt is, dat dit rechtvaardigt dat zij weigert de bonussen uit te betalen. Deze uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt. Onbegrijpelijk is die uitleg volgens de A-G niet. Ook Bankier 1 en Bankier 2 hebben immers van hun kant terecht niet beweerd dat het voor hen als medewerkers van ABN AMRO op zichzelf was toegestaan om bij cliënten van de bank een personal fee te bedingen. Dat maakt de door het hof gehanteerde lezing van de stellingen van ABN AMRO volgens de A-G extra gepast. Het naslaan van de door steller van het middel vermelde plaatsen in de gedingstukken brengt de A-G niet op andere gedachten. Hij leest daar niet het door de steller van het middel bedoelde ‘onlosmakelijk verband’. Waar het hof niet onbegrijpelijk de feitelijke grondslag van het verweer van ABN AMRO aldus heeft opgevat dat het trachten te bedingen door Bankier 1 en Bankier 2 van een personal fee ook zelfstandig het niet uitbetalen van de bonussen rechtvaardigt, stond het aan het hof vrij om de bewijsopdracht aan ABN AMRO daartoe te beperken. Geen rechtsregel verplichtte het hof om óók bewijs op te dragen van het verband met het treffen van belastende maatregelen door Bankier 1 en Bankier 2 jegens OMTI.

Oordeel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).