Naar boven ↑

Rechtspraak

Kärntner Landesregierung (Promotion d’un fonctionnaire)
Hof van Justitie van de Europese Unie, 27 november 2025
ECLI:EU:C:2025:926
Niet meetellen relevante werkervaring opgedaan in andere lidstaten voor gelijkwaardige arbeid bij inschaling loon na bevordering hogere functie is in strijd met artikel 45 VWEU.

Feiten

A.B. is een Oostenrijkse staatsburger die in 1968 is geboren en op 3 oktober 2005 in dienst is getreden als arbeidscontractant bij de deelstaat Karinthië (hierna: “deelstaat”). Van 1 oktober 1987 tot en met 4 april 2003 heeft hij bij particuliere werkgevers in Oostenrijk en in het buitenland werkzaamheden verricht voordat hij bij de deelstaat in dienst trad op basis van een Dienstzettel (beroepsgetuigschrift) dat betrekking had op de periode tussen 13 oktober 2003 en 2 oktober 2005. Bij zijn indiensttreding als arbeidscontractant bij de deelstaat werd de peildatum voor de overgang naar een hogere salaristrap van A.B. vastgesteld op 8 september 2001. De periodes die A.B. in het buitenland heeft doorgebracht in gelijkwaardige werkzaamheden zijn niet meegenomen in de inschaling. Op 1 juli 2011 ging A.B. over naar een hogere salaristrap en in de daaropvolgende jaren ging hij over naar de opeenvolgende salaristrappen. Op 1 januari 2016 en op 1 januari 2022 is A.B. bevorderd naar de eerstvolgende hogere rang, respectievelijk rang V en rang VI. 

Op 14 november 2022 heeft A.B. op grond van wet nr. 81/2021 verzocht dat eerdere perioden waarin hij werkzaamheden had verricht in Oostenrijk en in het buitenland en die gelijkwaardig zijn aan die welke hij als ambtenaar verricht, in aanmerking werden genomen en dat hem vervolgens achteraf het verschil in bezoldiging werd uitbetaald waarop hij aanspraak meende te maken. Bij besluit van 20 september 2023 heeft de regering van de deelstaat Karinthië dat verzoek afgewezen op grond van artikel VI, lid 7, van wet nr. 82/2011 met het argument dat de aanstelling van A.B. in rang VI het gevolg was van een bevordering en zijn bezoldigingsrechtelijke positie bijgevolg niet langer door de peildatum voor de overgang naar een hogere salaristrap werd bepaald.

De verwijzende rechter vraagt zich af of het niet inaanmerking nemen van buitenlandervaring na een bevordering naar een hogere schaal, niet toch in strijd is met artikel 45 VWEU (vrij verkeer van werknemers) en/of sprake is van indirect onderscheid op grond van leeftijd, omdat het niet in aanmerking nemen van dienstjaren vooral oudere werknemers treft vanwege de “drempeljaren” bij bevordering. 

Oordeel

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. 

Niet meetellen relevante werkervaring opgedaan in andere lidstaten voor gelijkwaardige arbeid bij inschaling loon na bevordering hogere functie is in strijd met artikel 45 VWEU

Krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling kunnen de perioden van gelijkwaardige werkzaamheden die een ambtenaar in een andere EER‑staat dan de Republiek Oostenrijk heeft vervuld vóór zijn indiensttreding in die laatste lidstaat, en die niet eerder in aanmerking zijn genomen voor zijn inschaling, niet langer met terugwerkende kracht in aanmerking worden genomen wanneer die ambtenaar is bevorderd op grond van een besluit dat onder de discretionaire bevoegdheid van de overheidsdienst valt, terwijl die perioden wel in aanmerking moeten worden genomen wanneer de bezoldigingsrechtelijke positie van de ambtenaar uitsluitend het gevolg is van de overgang naar een hogere salaristrap op basis van anciënniteit. Dit is in strijd met artikel 45 VWEU. 

Geen indirect onderscheid op grond van leeftijd

De bevordering volgens de nationale regeling gebeurt niet automatisch, maar zij valt onder de discretionaire bevoegdheid van de regering van de betrokken deelstaat. Voorts hangt de bevordering van een ambtenaar af van zijn prestaties en bekwaamheden alsmede van zijn gedrag tijdens en buiten zijn dienst. Die criteria houden kennelijk geen verband met de leeftijd van de betrokken ambtenaren. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling gebaseerd is op een criterium dat noch onlosmakelijk noch indirect verband houdt met de leeftijd van de ambtenaren. Hieruit volgt dat de regeling van een lidstaat als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan perioden van gelijkwaardige werkzaamheden die een persoon in een andere lidstaat heeft vervuld vóór zijn indiensttreding als ambtenaar in de eerste lidstaat niet in aanmerking kunnen worden genomen voor zijn overgang naar een hogere salaristrap wanneer die ambtenaar is bevorderd op grond van een besluit dat onder de discretionaire bevoegdheid van de overheidsdienst valt, geen indirect op de leeftijd gebaseerd verschil in behandeling vormt.

Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de artikelen 1, 2 en 6 van Richtlijn 2000/78/EG, gelezen in samenhang met artikel 21 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan, ten eerste, de perioden van gelijkwaardige werkzaamheden die een persoon in een andere lidstaat heeft vervuld vóór zijn indiensttreding als ambtenaar in die eerste lidstaat niet in aanmerking kunnen worden genomen voor zijn overgang naar een hogere salaristrap wanneer die ambtenaar is bevorderd op grond van een besluit dat onder de discretionaire bevoegdheid van de overheidsdienst valt, en ten tweede, een dergelijke bevordering in beginsel pas kan plaatsvinden na een aantal dienstjaren, die worden berekend vanaf de peildatum voor de overgang naar een hogere salaristrap, voor zover het aantal dienstjaren dat iemand moet vervullen om te worden bevorderd, niet zo aanzienlijk is dat alleen oudere ambtenaren daarvoor in aanmerking komen en die bevordering daarnaast afhangt van andere criteria die geen enkel verband houden met leeftijd.