Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 18 juni 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:6610
Feiten
Drechterland is een tandartspraktijk, waar naast werknemer en de eigenaresse acht werknemers werkzaam zijn. Sinds 1 januari 2019 is mevrouw X eigenaresse van de praktijk. Werknemer is sinds 19 april 1999 in dienst bij Drechterland als mondhygiënist. Naast zijn vaste salaris heeft werknemer recht op een variabel loon, afhankelijk van de door hem behaalde omzet. Aanvankelijk werkte werknemer 14 uur per week. Drechterland heeft, met toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst opgezegd per 30 mei 2021, onder aanbieding van een nieuwe overeenkomst voor 8 uur per week en betaling van een (partiële) transitievergoeding. Werknemer begon vervolgens een procedure over een hogere transitievergoeding en de vraag of zijn variabele loon onderdeel van zijn vaste loon was geworden. Zowel de rechtbank als het Hof Amsterdam wees deze vorderingen af. Op 28 mei 2021 meldde werknemer zich ziek en sindsdien heeft hij geen werkzaamheden meer verricht. De loondoorbetalingsverplichting van Drechterland eindigde op 28 mei 2023.
Werknemer vordert betaling van achterstallig loon over de jaren 2020 tot en met 2023, vermeerderd met wettelijke verhoging, wettelijke rente en afgifte van loonspecificaties. Hij stelt dat Drechterland het variabele loon vanaf 2020 onjuist heeft berekend, onder meer door een verkeerde berekening van de fictieve omzet tijdens ziekte en fouten in de berekening van de bonus. Hierdoor heeft hij volgens eigen berekening te weinig loon ontvangen. Drechterland voert aan dat de kantonrechter en het hof al over de loonaanspraken van werknemer hebben beslist en dat deze zijn afgewezen. Werknemer kan diezelfde vordering niet opnieuw instellen op andere grondslagen en is daarom niet-ontvankelijk. Daarnaast heeft werknemer zijn vordering onvoldoende onderbouwd, omdat hij geen berekeningen heeft overgelegd en het bekende verweer van Drechterland niet in de dagvaarding heeft verwerkt. Dit levert volgens Drechterland een schending op van de substantiëringsplicht en waarheidsplicht. Drechterland verzoekt daarom om afwijzing van de vordering, of – als de rechter werknemer toch ontvankelijk acht – om een nadere termijn voor schriftelijke rondes zodat werknemer zijn vordering alsnog cijfermatig kan onderbouwen.
Oordeel
Drechterland beroept zich op het gezag van gewijsde van de uitspraak van het Hof Amsterdam. De kantonrechter oordeelt echter dat dit beroep niet slaagt. Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen, hebben bindende kracht in een later geding tussen dezelfde partijen, maar alleen als het om hetzelfde geschilpunt gaat als in de eerdere zaak. Het gezag van gewijsde verhindert niet dat een vergelijkbare vordering op een andere grondslag wordt ingesteld, ook al had die grondslag eerder kunnen worden aangevoerd. In de eerdere procedures baseerde werknemer zijn vordering op de stelling dat de arbeidsomvang (het aantal uren) groter was dan contractueel overeengekomen. In de huidige zaak vordert werknemer betaling van achterstallig variabel loon, uitgaande van een arbeidsomvang van 8 uur per week, en stelt hij dat Drechterland fouten heeft gemaakt bij de berekening daarvan, onder meer bij de fictieve omzet. Omdat de grondslag nu een andere is, kan Drechterland zich niet met succes beroepen op het gezag van gewijsde. De vordering wordt daarom inhoudelijk beoordeeld. De kantonrechter constateert wel dat werknemer het bekende verweer van Drechterland niet in de dagvaarding heeft opgenomen, in strijd met de substantiëringsplicht. Daarom moet werknemer zijn loonvordering nader concretiseren en toelichten, met name over de berekening van de fictieve omzet, het vakantiegeld, de correctieomzet en de werkgeverslasten over de bonus van 2023. Werknemer krijgt hiervoor gelegenheid bij akte. Daarna mag Drechterland eveneens bij akte reageren. De kantonrechter benadrukt dat partijen zich daarbij uitsluitend mogen richten op de toelichting en reactie met betrekking tot de loonvordering en niet op andere geschilpunten.
