Rechtspraak
Feiten
BL werkte sinds 2012 als gezagvoerder bij Luftfahrtgesellschaft Walter mbH, waar ongeveer 348 personen werkzaam waren. Op 15 juni 2020 heeft Luftfahrtgesellschaft Walter overeenkomstig § 17 lid 2 KSchG een raadplegingsprocedure met de werknemersvertegenwoordigers van de gezagvoerders ingeleid met het oog op hun ontslag. Op 30 juni 2020 heeft zij besloten de bedrijfsactiviteiten met onmiddellijke ingang te staken. Op 1 juli 2020 is er een insolventieprocedure tegen Luftfahrtgesellschaft Walter ingeleid. Dr. A is aangewezen als curator. Diezelfde dag heeft dr. A aan de bevoegde overheidsinstantie kennisgeving van het plan voor collectief ontslag gedaan. Bij die kennisgeving was geen definitief standpunt van de vertegenwoordigers van het personeel gevoegd. Ook was geen rapport over de voortgang van de raadplegingen bijgevoegd, wat krachtens nationaal recht als alternatief mogelijk is. Er is alleen op gewezen dat de raadplegingsprocedure was begonnen en werd voortgezet. Gegevens met betrekking tot de inhoud van de gesprekken in het kader van die procedure ontbraken.
De overheidsinstantie heeft de ontvangst van de kennisgeving van het plan voor collectief ontslag bevestigd met de opmerking dat zij “uitsluitend” de ontvangst van de bij deze kennisgeving gevoegde documenten bevestigde. Begin juli 2020 heeft dr. A het cabinepersoneel en het grondpersoneel ontslagen. Voor deze groepen waren geen werknemersvertegenwoordigingen samengesteld. Bij brief van 29 juli 2020 heeft hij ook de arbeidsovereenkomsten van BL en andere gezagvoerders in het kader van een plan voor collectief ontslag opgezegd met een termijn van drie maanden. Op 17 augustus 2020 heeft BL bij het Arbeitsgericht Berlin (arbeidsrechter in eerste aanleg Berlijn, Duitsland) een vordering ingesteld tot vaststelling van, ten eerste, de nietigheid van de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst en, ten tweede, de instandhouding van de arbeidsverhouding. Ter onderbouwing van haar beroep heeft zij met name aangevoerd dat de raadplegingsprocedure niet in acht was genomen. De verwijzende rechter vraagt zich af of een formele schending van de kennisgevingsprocedure in dit geval tot een nietig ontslag moet leiden en stelt vragen aan het Hof van Justitie EU.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Ontvangstbericht melding collectief ontslag is onvoldoende om te kwalificeren als kennisgeving bevoegd gezag
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3 Richtlijn 98/59/EG aldus moet worden uitgelegd dat het doel van de kennisgeving van een plan voor collectief ontslag aan de bevoegde overheidsinstantie kan worden geacht te zijn bereikt wanneer, ten eerste, deze instantie geen bezwaar maakt tegen een onjuiste of onvolledige kennisgeving en zich dus voldoende geïnformeerd acht om binnen de in artikel 4 lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn gestelde termijn oplossingen te zoeken voor de problemen die uit het voorgenomen collectief ontslag voortvloeien en, ten tweede, de nationale regeling bepaalt dat de werkgever met deze instantie samenwerkt om werkloosheid te voorkomen of te beperken en/of het nationale arbeidsbureau ambtshalve een onderzoek moet instellen in het kader van een procedure voor collectief ontslag.
Overeenkomstig artikel 3 lid 1, vierde alinea, van deze richtlijn moet de kennisgeving “alle nuttige gegevens bevatten betreffende het plan voor collectief ontslag en de in artikel 2 bedoelde raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers, met name de redenen van het ontslag, het aantal voor ontslag in aanmerking komende werknemers, het aantal werknemers dat gewoonlijk in dienst is en de periode die wordt overwogen voor het doen plaatsvinden van de ontslagen”. Artikel 4 lid 1, eerste alinea, Richtlijn 98/59/EG bepaalt dat een dergelijk “collectie[f] ontslag waarvan het plan ter kennis van de bevoegde overheidsinstantie is gebracht”, met de nuttige gegevens die in het vorige punt zijn vermeld, niet eerder ingaat dan 30 dagen na ontvangst van die kennisgeving, een termijn die deze instantie volgens lid 2 van dat artikel moet gebruiken om oplossingen te zoeken voor de problemen die uit het voorgenomen collectieve ontslag voortvloeien.
De verplichting tot kennisgeving moet deze overheidsinstantie dus in staat stellen om op basis van alle informatie die de werkgever haar heeft verstrekt, na te gaan welke mogelijkheden er zijn om de nadelige gevolgen van die ontslagen te beperken door middel van maatregelen die zijn afgestemd op de kenmerken van de arbeidsmarkt en de bedrijfstak waarin de collectieve ontslagen plaatsvinden (zie in die zin HvJ EU 13 juli 2023, G GmbH, C-134/22, ECLI:EU:C:2023:567, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Artikel 4 lid 1, eerste alinea, garandeert dus een minimumtijdvak waarover de bevoegde overheidsinstantie moet kunnen beschikken om de in het vorige punt bedoelde maatregelen te treffen (HvJ EG 27 januari 2005, Junk, C-188/03, ECLI:EU:C:2005:59, punt 51). Indien de werkgever de bevoegde overheidsinstantie niet overeenkomstig zijn verplichtingen krachtens Richtlijn 98/59/EG in kennis heeft gesteld van het plan voor collectief ontslag en deze instantie niet over alle nuttige gegevens beschikt op grond waarvan zij oplossingen kan zoeken voor de problemen die uit het voorgenomen collectieve ontslag voortvloeien, kan het hoofddoel van deze richtlijn dus niet worden geacht te zijn bereikt. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt naar voren te komen dat de kennisgeving van het plan voor collectief ontslag door dr. A op 1 juli 2020, zoals vermeld in punt 21 van dit arrest, onjuist of onvolledig was, omdat zij niet alle nuttige gegevens bevatte die in artikel 3 lid 1, vierde alinea, van deze richtlijn zijn voorgeschreven.
In dat verband kan het feit dat de bevoegde overheidsinstantie zich ertoe heeft beperkt de ontvangst van deze onjuiste of onvolledige kennisgeving te bevestigen, zonder zich evenwel uit te spreken over de overeenstemming ervan met de voorschriften van deze richtlijn, uiteraard niet tot de conclusie leiden dat die kennisgeving niettemin in overeenstemming is met de voorschriften van deze richtlijn. Deze instantie heeft niet tot taak de individuele situatie van elk van de door het plan voor collectief ontslag geraakte werknemers te onderzoeken. Aangezien het optreden van deze instantie echter bedoeld is om een globaal inzicht te krijgen in de voorgenomen collectieve ontslagen (zie in die zin G GmbH, punt 37), belet een onjuiste of onvolledige kennisgeving haar om haar taak te vervullen, namelijk overeenkomstig artikel 4 lid 2 Richtlijn 98/59/EG een oplossing zoeken voor de problemen die uit het voorgenomen collectieve ontslag voortvloeien. Wat het tweede onderdeel van de eerste vraag betreft, blijkt reeds uit de overwegingen in de punten 51 tot en met 55 van het onderhavige arrest dat geen enkele werkgever van de in artikel 3 lid 1, eerste alinea en artikel 4 lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn neergelegde procedurele verplichtingen kan worden vrijgesteld enkel doordat een aanvankelijk onjuiste of onvolledige kennisgeving door de bevoegde overheidsinstantie op grond van de toepasselijke nationale regeling ambtshalve wordt hersteld.
Ten eerste moet namelijk worden vastgesteld dat een dergelijk herstel inbreuk kan maken op artikel 4 lid 1, eerste alinea van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 3 lid 1, eerste en vierde alinea ervan, waaruit blijkt dat de daarin bedoelde termijn van 30 dagen pas begint te lopen nadat de werkgever de bevoegde overheidsinstantie overeenkomstig deze bepalingen in kennis heeft gesteld van een plan voor collectief ontslag. Ten tweede kan de tijd die de bevoegde overheidsinstantie moet besteden aan de stappen die nodig zijn om een dergelijk gebrek ambtshalve te herstellen, verhinderen dat deze instantie deze termijn van 30 dagen volledig benut om overeenkomstig artikel 4 lid 2 van deze richtlijn oplossingen te zoeken voor de problemen die voortvloeien uit het voorgenomen collectieve ontslag. Hieruit volgt dat een nationale wettelijke regeling die elke werkgever vrijstelt van de krachtens Richtlijn 98/59/EG op hem rustende verplichting om de bevoegde overheidsinstantie naar behoren in kennis te stellen van elk plan voor collectief ontslag, afbreuk kan doen aan het nuttig effect van die richtlijn, zelfs indien die wettelijke regeling die instantie voor het overige in staat stelt om overeenkomstig artikel 4 lid 2 oplossingen te zoeken voor de problemen die uit het voorgenomen collectief ontslag voortvloeien.
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3 Richtlijn 98/59/EG aldus moet worden uitgelegd dat het doel van de kennisgeving van een plan voor collectief ontslag aan de bevoegde overheidsinstantie niet kan worden geacht te zijn bereikt wanneer, ten eerste, deze instantie geen bezwaar maakt tegen een onjuiste of onvolledige kennisgeving en zich dus voldoende geïnformeerd acht om binnen de in artikel 4 lid 1, eerste alinea van deze richtlijn gestelde termijn oplossingen te zoeken voor de problemen die uit het voorgenomen collectief ontslag voortvloeien en, ten tweede, de nationale regeling bepaalt dat de werkgever met deze instantie samenwerkt om werkloosheid te voorkomen of te beperken en/of het nationale arbeidsbureau ambtshalve een onderzoek moet instellen in het kader van een procedure voor collectief ontslag.
Opschorting opzegtermijn geen passende maatregel bij schending kennisgevingsprocedure
In dat verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 4 lid 1, eerste alinea van deze richtlijn bepaalt dat het collectieve ontslag waarvan het plan ter kennis van de bevoegde overheidsinstantie is gebracht, niet eerder ingaat dan 30 dagen na ontvangst van de in artikel 3 lid 1, eerste alinea van de richtlijn bedoelde kennisgeving, onverminderd de geldende bepalingen betreffende de individuele rechten inzake de opzeggingstermijn. Daaruit volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat artikel 4 lid 1, eerste alinea enkel bepaalt wat het rechtsgevolg is van de niet-nakoming van de verplichting voor de werkgever om naar behoren kennis te geven van een plan voor collectief ontslag, in verband met de rechten van de betrokken werknemers en hun vertegenwoordigers in het kader van de procedure voor collectief ontslag. Artikel 6 Richtlijn 98/59/EG heeft echter een ander doel. Het beoogt de naleving van de in die richtlijn neergelegde procedurele verplichtingen te waarborgen, met name de verplichting voor de werkgever in artikel 3 lid 1, eerste alinea van die richtlijn om de bevoegde overheidsinstantie naar behoren schriftelijk in kennis te stellen van elk plan voor collectief ontslag. Dat artikel beoogt dus het nuttig effect van de bepalingen van deze richtlijn te verzekeren door de vaststelling van effectieve, doeltreffende en evenredige nationale maatregelen.
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de enige nationale maatregel die de verwijzende rechter in casu meent te kunnen toepassen in geval van niet-nakoming van de verplichtingen van de werkgever in het kader van de procedure voor de kennisgeving van een plan voor collectief ontslag, erin bestaat de opzeggingstermijn te schorsen voor een periode gelijk aan de termijn in artikel 4 lid 1, eerste alinea van deze richtlijn, waardoor de arbeidsverhouding van de betrokken werknemers wordt verlengd. Zoals blijkt uit de punten 79 en 80 van het onderhavige arrest streven de termijn van 30 dagen in artikel 4 lid 1, eerste alinea van Richtlijn 98/59/EG en de krachtens artikel 6 van die richtlijn vastgestelde nationale maatregelen, die tot doel hebben de verplichtingen van deze richtlijn te doen naleven, evenwel verschillende doelstellingen na.
Daaruit volgt dat de opschorting van de opzeggingstermijn voor een periode die gelijk is aan die termijn van 30 dagen totdat een kennisgeving wordt gedaan die in overeenstemming is met die richtlijn, in geval van een onjuiste of onvolledige kennisgeving van een plan voor collectief ontslag aan de bevoegde overheidsinstantie, niet in de plaats kan treden van het rechtsgevolg van de niet-nakoming van de verplichting voor de werkgever om naar behoren kennis te geven van een plan voor collectief ontslag uit hoofde van artikel 4 lid 1, eerste alinea en de lidstaten er ook niet van kan vrijstellen een effectieve, doeltreffende en evenredige maatregel te nemen om de werkgever ertoe aan te zetten de in artikel 3 lid 1, eerste alinea van deze richtlijn neergelegde kennisgevingsverplichting na te komen en zodoende het nuttig effect van de bepalingen ervan te garanderen, met name de vergoeding van de schade van de betrokken werknemers.
