Naar boven ↑

Rechtspraak

Presenter B.V./werkneemster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7460
Zeven LinkedIn-berichten aan oud-collega’s gelden als één overtreding van het antironselbeding: kantonrechter brengt boeteclaim van € 70.000 terug tot € 3.500, mede omdat niemand overstapte en werkgever geen schade leed.

Feiten

Werkneemster is van 18 oktober 2021 tot 1 april 2025 in dienst geweest bij Presenter. In haar arbeidsovereenkomst waren onder meer een antironselbeding en een boetebeding opgenomen. Het antironselbeding verbood haar om tijdens het dienstverband en gedurende twaalf maanden daarna, direct of indirect, werknemers van Presenter of gelieerde vennootschappen te benaderen met het doel hen te bewegen hun dienstverband met Presenter te beëindigen. Op overtreding stond een direct opeisbare boete van € 10.000 netto per overtreding, vermeerderd met € 1.000 netto per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt. Per 1 april 2025 is werkneemster in dienst getreden bij X. Op 16 juni 2025 heeft zij via LinkedIn zeven werknemers van Presenter benaderd. In die berichten vroeg zij of zij mensen kenden die een nieuwe uitdaging zochten, dan wel of zij daar zelf voor openstonden, en verwees zij naar vacatures bij X. Presenter stelde dat werkneemster daarmee het antironselbeding zeven keer had overtreden en vorderde betaling van € 70.000 aan contractuele boetes. Aanvankelijk vorderde Presenter ook nakoming van het antironselbeding en afgifte van afschriften van berichten aan (voormalig) medewerkers, maar die vorderingen zijn tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Werkneemster voerde aan dat zij het beding niet had geschonden. Voor zover dat wel het geval zou zijn, stelde zij dat er sprake was van één handeling op één datum en dus hooguit van één overtreding. Daarnaast beriep zij zich op matiging van de boete. Zij wees erop dat er geen werknemers naar X waren overgestapt, Presenter geen schade had geleden, zij als particulier voor de boete werd aangesproken en haar nieuwe werkgever niet aan betaling wilde bijdragen. Ook stelde zij dat zij meende dat natuurlijk verloop bij Presenter werd gestimuleerd vanwege de financiële situatie van het bedrijf.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat werkneemster het antironselbeding heeft overtreden. Door oud-collega’s te benaderen, hen te wijzen op vacatures bij haar nieuwe werkgever en te vragen of zijzelf of anderen op zoek waren naar een nieuwe uitdaging, heeft zij werknemers van Presenter benaderd met het oog op beëindiging van hun dienstverband. Daarmee is het beding geschonden. Volgens de kantonrechter levert dit echter niet zeven afzonderlijke overtredingen op. Bij de uitleg van het antironselbeding en het boetebeding past de kantonrechter het Haviltex-criterium toe. De rechter acht van belang dat het beding erop is gericht te voorkomen dat werknemers in algemene zin worden benaderd, en dat de berichten op dezelfde datum zijn verzonden, dezelfde strekking hadden en vrijwel gelijkluidend waren. Werkneemster hoefde daarom niet te verwachten dat elk afzonderlijk bericht aan een werknemer telkens tot een aparte boete van € 10.000 zou leiden. De actie wordt aangemerkt als één overtreding, zodat in beginsel een boete van € 10.000 verschuldigd is. Vervolgens matigt de kantonrechter de boete tot € 3.500. Daarbij weegt mee dat het beding inmiddels was verstreken, de benadering beperkt bleef tot zeven personen op één dag, geen van de benaderde werknemers is overgestapt en Presenter geen schade heeft geleden. Ook acht de rechter relevant dat de boetebepaling algemeen is geformuleerd voor meerdere verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en niet is afgestemd op de werkelijke schade door overtreding van het antironselbeding. Verder gaat het om een aanzienlijk bedrag voor werkneemster, die in privé wordt aangesproken. Haar beroep op de gestelde financiële context bij Presenter slaagt niet, omdat niet is komen vast te staan dat natuurlijk verloop daadwerkelijk werd gestimuleerd. De wettelijke rente over de toegewezen boete wordt toegewezen vanaf 21 oktober 2025, omdat Presenter werkneemster op 10 oktober 2025 schriftelijk tot betaling had aangemaand en haar tot en met 20 oktober 2025 de tijd had gegeven om te betalen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat aan werkneemster als consument een geldige veertiendagenbrief is gestuurd.