Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6399
Feiten
Werkneemster is per 1 juli 2021 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van commercieel medewerkster Duitsland. Werkgeefster drijft een groothandel in horecabenodigdheden en heeft geprobeerd haar activiteiten op de Duitse markt uit te breiden via een dochtermaatschappij. Werkneemster is specifiek aangenomen voor deze verkoopactiviteiten en het onderhouden van contacten met Duitse klanten. Vanwege aanhoudende verliezen heeft werkgeefster besloten de Duitse activiteiten per 30 juni 2026 te beëindigen, waardoor de arbeidsplaats van werkneemster is komen te vervallen. Het UWV heeft op 21 juli 2026 geweigerd toestemming te verlenen voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Werkneemster heeft zich na indiening van de ontslagaanvraag ziekgemeld bij het UWV. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de a-grond.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Hoewel sprake is van een opzegverbod wegens ziekte, staat dit niet aan ontbinding in de weg omdat werkneemster zich pas na indiening van de ontslagaanvraag bij het UWV ziek heeft gemeld. Er is sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW. Werkgeefster heeft voldoende onderbouwd dat de werkzaamheden voor de Duitse markt sterk zijn teruggelopen waardoor verschillende arbeidsplaatsen zijn vervallen, waaronder die van werknemer. Ook herplaatsing binnen een redelijke termijn ligt niet in de rede. Daarbij acht de kantonrechter het van belang dat werkneemster de Nederlandse taal, zowel mondeling als schriftelijk, niet beheerst. Het ontbindingsverzoek wordt daarom toegewezen en de arbeidsovereenkomst wordt met ingang van 1 december 2026 ontbonden. Van de ontbinding kan werkneemster geen verwijt worden gemaakt. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.
