Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 8 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14783
Feiten
Werknemer is per 3 februari 2025 in dienst getreden bij werkgever in de functie van als leraarondersteuner op een basisschool. Voor zijn functie is het volgen van een Pabo-opleiding een wezenlijke voorwaarde. Partijen sluiten voorafgaand aan de indiensttreding een studieovereenkomst, waarin afspraken zijn vastgelegd over het opleidingstraject en het studieverlof. Werknemer wordt per 1 februari 2026 uitgeschreven van de Pabo-opleiding, nadat hij een negatief bindend studieadvies heeft gekregen. Hij meldt deze uitschrijving niet aan werkgever. Op 7 april 2026 ontdekt werkgever tijdens een stagebezoek dat werknemer niet langer staat ingeschreven. Op 9 april 2026 vindt een gesprek plaats waarin werknemer met de uitschrijving wordt geconfronteerd en de gelegenheid krijgt hierop te reageren. Werkgever ontslaat werknemer vervolgens op 10 april 2026 op staande voet. Werknemer verzoekt de kantonrechter het ontslag te vernietigen en maakt aanspraak op loon. Voor het geval het ontslag in stand blijft, verzoekt hij om een gefixeerde schadevergoeding, een billijke vergoeding en een transitievergoeding. Werkgever verzoekt op zijn beurt terugbetaling van het onterecht genoten studieverlof. Werknemer voert aan dat hij de uitschrijving niet bewust heeft verzwegen. Hij dacht dat hij deze nog kon terugdraaien en stelt dat zijn persoonlijke omstandigheden en mentale overbelasting een rol spelen bij het niet tijdig informeren van werkgever.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet is een dringende reden vereist en moet het ontslag onverwijld worden gegeven en de reden onverwijld worden meegedeeld. Het volgen van de Pabo-opleiding is een wezenlijke voorwaarde voor het dienstverband. Werknemer heeft verzwegen dat hij niet langer aan deze voorwaarde voldoet en heeft werkgever daardoor gedurende ruim twee maanden in de veronderstelling gehouden dat hij nog studeert. De kantonrechter acht dit onacceptabel en oordeelt dat werkgever hierdoor het vertrouwen in werknemer terecht is verloren. De persoonlijke omstandigheden van werknemer, waaronder zijn mentale overbelasting en de gevolgen van het ontslag, wegen onvoldoende zwaar om tot een ander oordeel te komen. Ook is niet gebleken dat zijn ziekte hem heeft verhinderd zijn uitschrijving te melden. Werkgever heeft bovendien onverwijld gehandeld: de uitschrijving werd immers op 7 april ontdekt, op 9 april is het hoor- en wederhoorgesprek gevoerd en op 10 april is werknemer ontslagen. Het ontslag blijft in stand. Werknemer heeft geen recht op loon na het ontslag, een gefixeerde schadevergoeding, een billijke vergoeding of een transitievergoeding. Het handelen van werknemer is volgens de kantonrechter ernstig verwijtbaar. Werkgever heeft daarnaast recht op terugbetaling van onverschuldigd betaald studieverlof. Werknemer heeft na zijn uitschrijving namelijk nog 40 uur studieverlof, terwijl hij daarop geen aanspraak meer heeft. Werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.
