Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Kinderopvang Kiekeboe B.V.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7051
Arbeidsongeschikte werkneemster heeft recht op uitbetaling van vakantiedagen. Nu werkneemster volledig is uitgevallen, was zij redelijkerwijs niet in staat haar vakantiedagen op te nemen.

Feiten

Werkneemster is op 10 april 2018 in dienst getreden bij Kinderopvang Kiekeboe B.V. (hierna: ‘Kiekeboe’). Vanaf 20 mei 2022 is werkneemster onafgebroken ziek. Met ingang van 25 maart 2025 is de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst geëindigd. In de vaststellingsovereenkomst is een voorbehoud gemaakt op het finalekwijtingsbeding voor wat betreft de afrekening van de niet genoten vakantiedagen. Werkneemster maakt aanspraak op 228,40 niet uitbetaalde vakantieuren ter waarde van € 4.543,70. Kiekeboe is het hier niet mee eens. Volgens Kiekeboe heeft zij bij einde van het dienstverband te veel aan vakantieuren uitbetaald. 

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Beoordeeld moet worden of er nog sprake is van niet-genoten vakantiedagen die Kiekeboe nog moet uitbetalen. De kantonrechter gaat uit van 148,75 jaarlijkse vakantieuren. Kiekeboe heeft meerderere jaren uren afgeschreven tijdens haar bedrijfssluiting rond de kerstdagen. Werkneemster heeft onbetwist gesteld dat zij meerdere keren heeft aangegeven dat zij hiermee niet akkoord ging. Zonder haar toestemming zijn uren van haar bovenwettelijke verlofuren aangehaald. Kiekeboe stelt geen feiten of omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat zij met werkneemster overleg heeft gepleegd over het opnemen van vakantie, dat is afgesproken dat dit als een verplichte vakantie gold, noch dat zij hiertoe kon overgaan op grond van de arbeidsovereenkomst, een geldende cao of anderszins. Een bedrijfssluiting betekent niet zonder meer dat werkneemster voor die vrije dagen verlof moet opnemen. Het niet met instemming van werkneemster verlof afschrijven in de kerstperiode is ten onrechte gebeurd. Aan de hand hiervan gaat de kantonrechter per jaar afzonderlijk verder op het verlofsaldo in. Ten aanzien van het jaar 2022 – waarin werkneemster ziek is geworden – overweegt de kantonrechter het volgende. De hoofdregel is dat dagen waarop de werknemer tijdens de vastgestelde vakantie ziek is, niet als vakantie gelden, tenzij in een voorkomend geval de werknemer daarmee instemt (artikel 7:638 lid 8 BW). Dit geldt ook als de vakantie al is aangevraagd voordat de werknemer ziek wordt. Werkneemster moest dus uitdrukkelijk instemmen met het afboeken van de vakantiedagen. Van instemming van werkneemster is echter niet gebleken. Voor zover Kiekeboe meent dat de vakantie-uren zijn komen te vervallen geldt het volgende. Werkneemster is vanaf 20 mei 2022 volledig uitgevallen waardoor zij redelijkerwijs niet in staat was vakantiedagen op te nemen. Werkneemster heeft onbetwist gesteld dat er geen re-integratieplicht was. Van verval van de wettelijke vakantie-uren zes maanden na het kalenderjaar waarin het recht is ontstaan is dan geen sprake. De kantonrechter komt tot de conclusie dat werkneemster een vakantie-urentegoed heeft van 270,13 uur. Uitbetaald is 205,98 uur, zodat resteert 164,15 uur. Het uurtarief van werkneemster is € 18,42. Ook is Kiekeboe vakantiegeld over de niet genoten vakantie-uren verschuldigd. De uitbetaling van vakantiedagen heeft immers als loon te gelden. Dit maakt dat een bedrag van € 3.265,53 toewijsbaar is, te weten 164,15 (vakantieuren) x 18,42 (uurloon) x 1,08 (8% vakantiebijslag).