Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:11058
Feiten
Werknemer is sinds 14 februari 2022 in dienst bij werkgeefster. Sinds 20 mei 2025 is werknemer arbeidsongeschikt. Werknemer verzoekt in deze procedure om ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat van zodanige omstandigheden geen sprake is, althans dit heeft werknemer niet aangetoond. De verwijten die werknemer werkgeefster maakt en die tot de conclusie zouden moeten leiden dat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of heeft nagelaten, heeft hij niet gemotiveerd en ook niet onderbouwd. Werknemer kan niet volstaan met het in algemene bewoordingen benoemen dat werkgeefster tekortschiet in onder meer haar re-integratieverplichtingen. Het had in dit verband op de weg van werknemer gelegen om hierover een deskundigenoordeel bij het UWV te vragen en dit over te leggen. Dit is niet gebeurd, althans een deskundigenoordeel is niet in de procedure overgelegd. Werkgeefster heeft bovendien in haar verweerschrift uitgebreid aangegeven wat zij heeft gedaan. Werknemer heeft verder gesteld dat werkgeefster onrechtmatig heeft gehandeld of nagelaten door van arbodienst te wisselen, de loonstroken te wijzigen, blanco formulieren te laten ondertekenen en de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte te verminderen van 100% naar 70%. Ook deze stellingen heeft werkgeefster in haar verweerschrift betwist en hierover heeft zij een uitleg gegeven. Deze uitleg komt de kantonrechter plausibel voor en werknemer heeft deze ook niet betwist anders dan met een verwijzing naar het verzoekschrift. In het licht van de gemotiveerde betwisting is dit onvoldoende. De slotsom is daarom dat het ontbindingsverzoek van werknemer wordt afgewezen.
