Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13709
Feiten
Werkneemster is sinds 16 maart 2020 voor onbepaalde tijd in dienst bij werkgeefster als Specialist Business Proces Improvement binnen het team ‘Risk Consulting’. Haar salaris bedraagt € 3.661,34 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. De arbeidsomvang is 32 uur per week. Op 14 juli 2023 viel werkneemster wegens gezondheidsklachten uit voor haar werkzaamheden. Op 27 oktober 2023 meldde zij een zwangerschap. De arbeidsongeschiktheid is onderbroken door een WAZO-verlof van 3 mei 2024 tot en met 22 augustus 2024. Na afloop van het WAZO-verlof is werkneemster ziek gebleven. Op het moment dat werkneemster conform afspraak met haar re-integratie startte, had ze op haar werklaptop geen toegang tot Teams, Outlook en/of de bedrijfssystemen. In april 2025 heeft werkgever een verzoek tot het opnemen van betaald ouderschapsverlof geweigerd. In het vervolg van de re-integratie was volgens een arbeidsdeskundige terugkeer in het eigen werk mogelijk, maar werkgeefster stuurde al vroeg aan op een tweedespoorre-integratie. Het UWV oordeelde later dat de re-integratie-inspanningen van werkgeefster onvoldoende waren en legde een loonsanctie op. Eind augustus 2025 is mediation tussen partijen gestart. Op 24 november 2025 is de mediation tussen partijen zonder oplossing beëindigd. Werkgeefster heeft werkneemster eind juli 2026 beter gemeld bij het UWV. Werkgeefster verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een duurzaam en ernstig verstoorde arbeidsverhouding. Werkneemster verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Zij voert onder meer aan dat er sprake is van een opzegverbod wegens ziekte, dat de betermelding van juli 2026 onterecht is en dat het re-integratietraject vanaf het begin gekenmerkt wordt door een gebrek aan regie, transparantie en adequate begeleiding. Bovendien geldt een loondoorbetalingsverplichting tot 30 oktober 2026. Subsidiair verzoekt zij om toekenning van een billijke vergoeding van € 267.254,83 bruto.
Oordeel
Geen opzegverbod
De kantonrechter oordeelt dat de toepasselijkheid van het opzegverbod tijdens ziekte niet aan de orde is, nu er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid.
Voldragen g-grond
De kantonrechter oordeelt dat een redelijke grond bestaat voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Werkgeefster heeft de wettelijke volgorde van re-integratie niet gevolgd en te snel ingezet op werk buiten de eigen functie. Werkgeefster heeft onvoldoende onderbouwd waarom terugkeer in de eigen functie niet mogelijk zou zijn. Werkgeefster heeft te snel gegrepen naar een tweedespoorre-integratie. De afwijzing van het verzoek om betaald ouderschapsverlof is door werkgeefster onjuist en onwelwillend behandeld. Ook treft werkgeefster het verwijt dat zij de mediation te laat heeft opgepakt en het herstel van de arbeidsrelatie onvoldoende heeft ondersteund.
Ontbinding en diverse vergoedingen
De arbeidsovereenkomst wordt per 1 januari 2027 ontbonden op de g-grond. Werkneemster heeft recht op een transitievergoeding. De kantonrechter ziet aanleiding om aan werkneemster een billijke vergoeding toe te kennen. Werkgeefster heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een onwelwillende werkneemster die zich grensoverschrijdend zou hebben gedragen. Zij zou keer op keer negatief hebben gesproken over haar re-integratie en haar leidinggevende. Werkgeefster zou haar hier op hebben aangesproken. De kantonrechter merkt op dat veel feiten en omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, niet zijn onderbouwd met concrete voorbeelden of voorvallen. De kantonrechter acht een resterend dienstverband van drie jaar (dezelfde periode van het probleemloze dienstverband) aannemelijk. De kantonrechter houdt rekening met een matigende invloed van de lange duur van het hele proces tussen partijen. De billijke vergoeding wordt vastgesteld op € 100.000 bruto.
