Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14376
Feiten
Werknemer is sinds juni 2018 in dienst bij werkgeefster, een assurantiemakelaar, aanvankelijk als adviseur risk management en later als senior accountmanager transport en logistiek. Zijn arbeidsovereenkomst bevat een relatie- en antironselbeding voor twee jaar, met een boetebeding. Het relatiebeding verbiedt zakelijke contacten met (voormalige) relaties en prospects van werkgeefster en gelieerde ondernemingen. Werknemer beheert een eigen klantenportefeuille, waaronder relaties die hij al vóór zijn indiensttreding had opgebouwd. In september 2025 bespreekt hij zijn plannen om voor zichzelf te beginnen. Werkgeefster wijst zijn ondernemingsplan af, waarna de arbeidsverhouding verslechtert en mediation zonder resultaat blijft. Werknemer zegt zijn arbeidsovereenkomst op per 1 oktober 2026 en vordert in kort geding volledige of gedeeltelijke schorsing van het relatie- en boetebeding, een overzicht van de betrokken relaties en een vergoeding. Hij stelt dat het relatiebeding hem belemmert zijn beroep uit te oefenen, door zijn functiewijziging aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken en dat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Tijdens de zitting beperkt werkgeefster het relatiebeding tot klanten uit zijn eigen portefeuille en de sector transport en logistiek die in 2026 zijn gefactureerd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft een spoedeisend belang, maar zijn vorderingen worden afgewezen. Het relatiebeding is door zijn functiewijziging niet aanmerkelijk zwaarder gaan drukken, omdat zijn doorgroei gebruikelijk en voorzienbaar was. Van ernstig verwijtbaar handelen door werkgeefster is evenmin sprake. De verslechterde arbeidsverhouding, afwijzing van zijn ondernemingsplan, niet-aangetoonde toezeggingen over aandeelhouderschap en haar handelwijze tijdens zijn ziekte rechtvaardigen die conclusie niet. Werknemer wordt door het tijdens de zitting beperkte relatiebeding niet onbillijk benadeeld. Werkgeefster heeft een gerechtvaardigd belang bij bescherming van haar klantenbestand, juist omdat klanten sterk aan hun contactpersoon zijn gebonden. Dit geldt ook voor de door werknemer zelf aangebrachte klanten, die juridisch aan werkgeefster toebehoren. De termijn van twee jaar biedt werkgeefster gelegenheid deze klanten aan zich te binden en de landelijke reikwijdte is gerechtvaardigd vanwege haar landelijk verspreide klantenbestand. Gelet op het beperkte marktaandeel van werkgeefster kan werknemer bovendien voldoende andere klanten bedienen. Het antironselbeding blijft in stand, omdat werknemer hierdoor niet wordt belemmerd. Ook het boetebeding wordt niet geschorst omdat het dient als prikkel tot nakoming, en schadevergoeding slechts in plaats van de boete kan worden gevorderd. Voor matiging bestaat geen aanleiding, omdat nog geen boete is verbeurd. Het verzoek om een klantenoverzicht wordt wegens onvoldoende belang afgewezen. Ook de gevorderde vergoeding wordt afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is dat het beding werknemer in belangrijke mate belemmert elders te werken. Werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.
