Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Randstad uitzendbureau B.V.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7191
Nu niet is komen vast te staan dat werkneemster schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, faalt het beroep op artikel 7:658 BW en wordt de verzochte verklaring voor recht afgewezen.

Feiten

Werkneemster heeft op basis van een uitzendovereenkomst met Randstad magazijnwerkzaamheden verricht bij HEMA. Tijdens het verrichten van die werkzaamheden zou zij schade aan haar linkerduim hebben opgelopen. Werkneemster heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil over een deel van wat partijen verdeeld houdt. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv). In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de aansprakelijkheid van Randstad. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

Oordeel

Werkneemster stelt dat zij op 6 mei 2022 schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden bij HEMA en verzoekt een verklaring voor recht dat Randstad daarvoor als formele werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Randstad betwist dat er sprake is geweest van een arbeidsongeval in de uitoefening van de werkzaamheden. Voor een geslaagd beroep op artikel 7:658 BW dient werkneemster te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat zij schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden. Zij hoeft niet de exacte toedracht van het ongeval te bewijzen, maar wel dat de schade is ontstaan tijdens het verrichten van de werkzaamheden. De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster daar niet in is geslaagd. De kantonrechter merkt allereerst op dat (de advocaat van) werkneemster in het verzoekschrift niets heeft gezegd over de toedracht van het ongeval, behalve dat zij tijdens haar werkzaamheden haar duim heeft verdraaid. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft zij – desgevraagd - meer informatie over het gestelde arbeidsongeval gegeven. Vaststaat dat het gestelde ongeval niet door (een van) haar collega’s is gezien. Ook is niet gebleken dat werkneemster onmiddellijk na het gestelde ongeval hiervan mededeling heeft gedaan aan (een van) haar collega’s of haar leidinggevende. Verder is van belang dat werkneemster zich na het gestelde ongeval niet eerder dan op 3 juni 2022 (bijna een maand later) bij de huisarts heeft gemeld. Meegewogen wordt dat uit de door werkneemster overgelegde medische informatie volgt dat zij vóór het gestelde arbeidsongeval al klachten had aan haar linkerduim. Uit de medische informatie van ná 26 april 2022 volgt bovendien niet dat de klachten het gevolg zouden zijn van een haar overkomen arbeidsongeval. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat werkneemster op 6 mei 2022 een arbeidsongeval is overkomen en dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Zij heeft niet voldaan aan de op dit punt op haar rustende stelplicht en bewijslast. Terzijde wordt opgemerkt dat in deze deelgeschilprocedure geen ruimte is voor bewijslevering. Daardoor komt de kantonrechter in deze procedure ook niet toe aan de vraag of op Randstad in zijn hoedanigheid van (formele) werkgever enige aansprakelijkheid rust. De door werkneemster verzochte verklaring voor recht wordt om die reden afgewezen.