Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 15 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13513
Transitievergoeding toegewezen nu de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege is geƫindigd. Werkgever moet bovendien achterstallig loon betalen, omdat werknemer toen conform afspraak (geboorte)verlof en vakantie opnam.

Feiten

Werknemer is per 1 september 2025 in dienst getreden bij werkgever in de functie van sous-chefkok. De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor bepaalde tijd tot en met 31 maart 2026. Na de geboorte van zijn zoon nam werknemer geboorteverlof op. In januari en februari 2026 nam hij daarnaast wekelijks vijftien uur aanvullend geboorteverlof op. Eind januari 2026 liet werkgever weten dat de arbeidsovereenkomst na 31 maart 2026 niet wordt verlengd. Werknemer ontving over maart 2026 geen loon. In deze procedure verzoekt werknemer betaling van de transitievergoeding, het loon over maart 2026, een vergoeding voor niet genoten vakantie-uren en een aanvulling op de vakantietoeslag. Hij verzoekt daarnaast de wettelijke verhoging en wettelijke rente, en een netto-brutospecificatie op straffe van een dwangsom. Werknemer stelt dat hij met werkgever had afgesproken dat hij in maart 2026 zijn resterende aanvullend geboorteverlof en vakantie-uren zou opnemen. Werkgever betwist die afspraak. Volgens hem is werknemer sinds 26 februari 2026 niet meer komen opdagen. Het verlof en de vakantie-uren zouden bovendien zijn verrekend met min-uren. Werkgever heeft geen verweerschrift ingediend.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter houdt het ervoor dat werknemer in maart 2026 conform afspraak aanvullend geboorteverlof en vakantie-uren heeft opgenomen. Werkgever heeft zijn verweer niet onderbouwd met stukken, zoals de gestelde waarschuwingsbrief, de roosters en de verlofadministratie. Dat had van hem als werkgever wel mogen worden verwacht. Dat hij die stukken ter zitting alsnog over wilde leggen, is te laat. Hij had immers de gelegenheid om een verweerschrift en stukken in te dienen en heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Dat komt voor zijn rekening. Nu de arbeidsovereenkomst tot en met maart 2026 is doorgelopen en niet is aangetoond dat het in redelijkheid voor rekening van werknemer hoort te komen dat hij toen niet heeft gewerkt, heeft hij recht op loon. De arbeidsovereenkomst is bovendien van rechtswege geëindigd en op initiatief van werkgever niet aansluitend voortgezet. Werkgever is daarom de transitievergoeding verschuldigd. De door werkgever gestelde schade maakt dat niet anders, omdat die niet is aangetoond en hij er ook niet om heeft verzocht. Werknemer kon aanspraak maken op 190 uur aanvullend geboorteverlof, omdat slechts voor 190 uur is aangevraagd. Hij kon in maart dus nog 70 uur opnemen en moest voor de overige 106 uur van die maand vakantie opnemen. Over het aanvullend geboorteverlof is op grond van de wet slechts 70% van het salaris toewijsbaar. Dat over januari en februari wel het volledige loon is betaald, maakt dat niet anders, omdat dit is gebeurd door onbekendheid met de wettelijke regeling. Van de in totaal 110 vakantie-uren resteren 4 niet genoten uren, die moeten worden uitbetaald. Werkgever heeft verder geen verklaring gegeven voor de gewijzigde loonstroken waarop over januari en februari minder vakantietoeslag is betaald. Over die maanden is daarom 8% van het volledige loon verschuldigd. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%. Het gebrek aan communicatie en het niet indienen van een verweerschrift en stukken komen voor rekening van werkgever. Ter zitting is echter gebleken dat ook werknemer in de communicatie ernstig tekort is geschoten. Werkgever moet verder een deugdelijke netto-brutospecificatie verstrekken op straffe van een dwangsom. Werkgever wordt in de proceskosten veroordeeld.