Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:10431
Feiten
BouwQ B.V. is een onderneming die zich bezighoudt met het afgeven van kwaliteitsverklaringen voor bouwwerken. Werknemer is op 1 maart 2020 in dienst getreden bij BouwQ in de functie van controleur constructieve veiligheid. In de arbeidsovereenkomst is onder artikel 15 een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen. De echtgenote van werknemer heeft op 25 oktober 2023 een eigen bedrijf opgericht. In de inschrijving bij de KvK is opgenomen dat dit bedrijf zich bezighoudt met “constructieberekeningen, detaillering en bouwkundig advies”. Op 24 maart 2025 heeft BouwQ werknemer op staande voet ontslagen vanwege overtreding(en) van het nevenwerkzaamhedenbeding. De kantonrechter Eindhoven heeft op 23 oktober 2025 geoordeeld dat dit ontslag rechtsgeldig is. Werknemer heeft tegen dit oordeel geen hoger beroep ingesteld. BouwQ heeft werknemer ook gesommeerd tot betaling van boetes wegens stelselmatige overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. Werknemer heeft aan deze sommaties geen gehoor gegeven. BouwQ vordert daarom in de onderhavige procedure onder meer dat de kantonrechter werknemer veroordeelt tot betaling van € 544.250 aan verbeurde contractuele boetes. Ook vordert BouwQ het bedrijf van de echtgenote van werknemer te veroordelen tot betaling van € 12.650,65 aan schadevergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Verbeurde boetes vanwege schending nevenwerkzaamhedenbeding
De kantonrechter Eindhoven heeft op 23 oktober 2025 geoordeeld dat werknemer het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. Hoewel werknemer het niet eens is met dit oordeel, is hij niet in hoger beroep gegaan en kan een discussie over de in dit oordeel vastgestelde feiten en omstandigheden niet meer plaatsvinden. Hieruit volgt dat werknemer op grond van artikel 15.2 van de arbeidsovereenkomst aan BouwQ een opeisbare boete verbeurt van € 5.000 per overtreding en € 250 voor elke dag dat de overtreding voortduurt. BouwQ stelt dat werknemer 83 keer het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden, namelijk 1 keer wegens de inschrijving van het bedrijf van zijn echtgenote bij de KvK en 82 keer vanwege het uitvoeren van 82 projecten voor dat bedrijf. Ten aanzien van de inschrijving bij de KvK overweegt de kantonrechter dat deze handeling niet kan worden gezien als een schending van het nevenwerkzaamhedenbeding. Dat ziet namelijk op feitelijk dezelfde werkzaamheden als die werknemer verricht voor BouwQ, en het uitvoeren van een dergelijke administratieve handeling als de inschrijving van een bedrijf bij de KvK valt – naast het gegeven dat werknemer deze handeling ook niet zelf heeft verricht – hier niet onder. Dit geldt echter niet voor de 82 projecten; deze kunnen wel als schendingen van het nevenwerkzaamhedenbeding worden aangemerkt. In dat kader oordeelt de kantonrechter dat werknemer de met 82 facturen onderbouwde stelling van BouwQ dat er sprake is van 82 opdrachten, onvoldoende heeft betwist. De kantonrechter merkt deze overtredingen bovendien aan als 82 afzonderlijke, van elkaar losstaande, overtredingen. Er bestaat tussen de 82 opdrachten immers geen onderling verband. Dit levert een boete op van, in beginsel, € 410.000 (82 x € 5.000). De kantonrechter matigt de boete echter tot een bedrag van € 40.000, omdat hij niet de overtuiging heeft gekregen dat van de kant van werknemer sprake is geweest van kwaad opzet, werknemer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in grote financiële problemen zou komen bij toewijzing van de boetes in volle omvang en de boete niet bedoeld is als ‘verdienmodel’ (en niet is komen vast te staan dat BouwQ rechtstreekse schade heeft geleden). De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen.
Gevorderde schadevergoeding jegens het bedrijf van de echtgenote van werknemer
BouwQ heeft aan de vordering jegens het bedrijf van de echtgenote van werknemer ten grondslag gelegd dat het bedrijf profiteert van de overtredingen van werknemer en daarmee een zelfstandige onrechtmatige daad pleegt jegens BouwQ. Een van de door het bedrijf gevoerde verweren is dat er geen sprake is van schade aan de zijde van BouwQ. De kantonrechter volgt het bedrijf hierin. Gesteld noch gebleken is dat BouwQ door voormeld gesteld handelen van het bedrijf opdrachtgevers is kwijtgeraakt, althans minder opdrachten heeft gekregen. Van enige schade is de kantonrechter dan ook niet gebleken.
