Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:9900
Feiten
Werkneemster is per 22 juni 2009 in dienst getreden bij Albert Heijn. Onderdeel van de arbeidsovereenkomst zijn een personeelshandboek en een huisreglement. Op enig moment is Albert Heijn ‘winkelspelregels’ gaan hanteren. Daarin is bepaald dat Albert Heijn in geval van fraude bij de betrokken werknemer een bedrag van € 200 aan gefixeerde onderzoekskosten in rekening kan brengen. Nadat er een melding werd gedaan dat bij het filiaal waar werkneemster werkzaam is een tas met diepvriesmuffins was verdwenen, ontstond bij collega A (hierna: A) het vermoeden dat werkneemster deze zonder te betalen had meegenomen uit de winkel. A heeft toen, op 9 februari 2026, camerabeelden teruggekeken. Werkneemster is op dezelfde dag voor een gesprek uitgenodigd. Zij heeft toen onder meer erkend de muffins zonder betalen te hebben meegenomen. Na dit gesprek is werkneemster geschorst. Op 10 februari 2026 is werkneemster telefonisch verteld dat zij op staande voet is ontslagen, hetgeen in een brief van dezelfde datum is bevestigd. Albert Heijn geeft in deze brief aan de gefixeerde onderzoekskosten in rekening te brengen bij werkneemster omdat zij schadeplichtig is wegens fraude. Albert Heijn verrekent dit bedrag en een gefixeerde schadevergoeding met het nog aan werkneemster verschuldigde loon. Werkneemster verzoekt primair vernietiging van het ontslag op staande voet en doorbetaling van het loon, subsidiair het loon tot en met 10 februari 2026, een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het meenemen van producten door werkneemster zonder daarvoor te betalen levert op zichzelf een dringende reden op die ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Dat werkneemster dit heeft gedaan staat als onbetwist vast. Werkneemster heeft aangevoerd dat zij van plan was meteen te betalen maar op de bewuste dag werd afgeleid en dit was vergeten, en dat zij op haar eerstvolgende werkdag alsnog voor de muffins heeft betaald. Dit verweer kan haar niet baten. De nog bevroren muffins waren nog niet gestickerd voor verkoop en konden dus niet worden afgerekend, en werkneemster heeft niet toegelicht hoe zij van plan was dit te doen. Daarnaast had het voor de hand gelegen dat werkneemster, als inderdaad sprake was van een onbewuste fout, direct voor de betaling zou zorgdragen in plaats van drie dagen te wachten tot haar volgende werkdag. Ook had zij uit eigen beweging melding van het incident moeten maken bij haar leidinggevende. Hierdoor is niet aannemelijk dat zij de bedoeling had voor de muffins te betalen. Daarnaast heeft Albert Heijn toegelicht dat zij een zerotolerancebeleid hanteert bij diefstal. Daarmee is de aanwezigheid van een dringende reden gegeven, en de betaling drie dagen na het meenemen maakt dit niet anders. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet en nevenvorderingen worden daarom afgewezen. De subsidiair verzochte transitievergoeding wordt ook afgewezen omdat omstandigheden van dit geval een ernstige verwijtbaarheid opleveren. Omdat het ontslag rechtsgeldig is gegeven worden ook de verzoeken om een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding afgewezen. De kantonrechter begrijpt het verzoek tot betaling van loon tot en met 10 februari 2026 als een verzoek tot terugbetaling van de met haar loon verrekende bedragen van gefixeerde schadevergoeding en onderzoekskosten. De gefixeerde schadevergoeding mocht Albert Heijn verrekenen met het openstaande loon. Wel moet Albert Heijn het bedrag van €200 aan onderzoekskosten dat is verrekend met het loon dat haar nog verschuldigd was, terugbetalen aan werkneemster. De winkelspelregels waar dit bedrag uit voortvloeit, waren namelijk geen onderdeel van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst en Albert Heijn heeft niet onderbouwd dat werkneemster deze regel heeft aanvaard. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.
