Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7995
Feiten
Werknemer was in dienst bij werkgever, een onderneming die zich bezighield met de vervaardiging van vers banketbakkerswerk. Werknemer heeft in maart 2026 voor het laatst loon ontvangen van werkgever. Op 21 april 2026 is het faillissement van werkgever uitgesproken. Het UWV heeft de WW-aanvraag van werknemer afgewezen, omdat het aannemelijk was dat er sprake was van een overgang van onderneming. Per juni 2026 is werknemer elders in dienst getreden. In juli 2026 heeft werknemer bedrijf 1 verzocht om betaling van het achterstallig loon. Bedrijf 1 heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overgang van onderneming. Volgens werknemer is er wel sprake van een overgang van onderneming, omdat een groot deel van de materiële activa van werkgever aan bedrijf 1 is overgedragen, een groot deel van de werknemers is overgegaan naar bedrijf 1 dan wel bedrijf 2, de klantenkring aan bedrijf 1 is overgedragen en de ondernemingsactiviteiten van werkgever zonder noemenswaardige onderbreking door bedrijf 1 zijn voortgezet. Gedaagden hebben gemotiveerd betwist dat andere productieactiviteiten van werkgever zijn voortgezet dan het eigen werk dat aan werkgever was uitbesteed. Ook is gemotiveerd betwist dat bedrijf 1 de klanten van werkgever is gaan bedienen of daarvoor een certificering verkregen heeft. Bedrijf 1 betwist dat de gehele productie van werkgever is voortgezet. Volgens bedrijf 1 heeft het slechts 15% daarvan, namelijk zijn eigen productie, weer in eigen hand genomen. Ten aanzien van het overnemen van het klantenbestand spreekt de curator volgens werknemer van het overnemen van verschillende klanten. Volgens bedrijf 1 waren deze vennootschappen echter al klant bij hem, zodat er geen sprake is van overname van de klantenkring van werkgever. Ook staat de certificering volgens bedrijf 1 los van de gestelde voortzetting van de activiteiten en het klantenbestand van werkgever. Bedrijf 1 was namelijk al bezig met het verkrijgen van een WRC-certificering, en dus niet met de FSC-certificering waarover werkgever beschikte. Bedrijf 1 heeft die FSC-certificering naar eigen zeggen inmiddels wel aangevraagd, maar heeft tot op heden nog niet onder die certificering kunnen produceren. Ook hebben gedaagden betoogd dat werknemers van werkgever zich zélf hebben gemeld bij bedrijf 1. De e-mail waaruit volgt dat eenieder van de werknemers een contract aangeboden heeft gekregen van bedrijf 1, moet volgens bedrijf 1 worden gelezen in het kader van ‘goed ondernemerschap’ van werkgever om het personeel te wijzen op vacatures die er altijd zijn bij bedrijf 1. De feitelijke gang van zaken is volgens bedrijf 1 heel anders gegaan dan de curator aanneemt. Werknemer heeft zich niet gemeld en was, als hij zich gemeld had, ook niet aangenomen, omdat hij te ver van Oldebroek woont, aldus gedaagden. Werknemer stelt dat er sprake is van een overgang van onderneming op grond waarvan gedaagden gehouden zijn tot betaling van zijn achterstallige loon. Daarom vordert werknemer, samengevat, om gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van achterstallig loon. Ook vordert werknemer afgifte van de loonstroken over april, en het vakantiegeld, onder verbeurte van een dwangsom en vergoeding van zijn proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het spoedeisend belang in deze procedure is gegeven door de aard van de vordering. De vordering betreft namelijk loon. Werknemer heeft tegenover alle betwistingen slechts volhard in zijn stellingen en verwezen naar stukken, zoals het oordeel van de curator en het UWV en de gewezen vonnissen. De betwistingen van bedrijf 1 zouden in een bodemprocedure zeer waarschijnlijk aanleiding geven tot een (tegen)bewijsopdracht naar de omvang van de overgenomen activa, de voortzetting van de productieactiviteiten, de klantenkring, de gang van zaken rond de arbeidsovereenkomsten en de overige factoren die relevant zijn voor het oordeel dat sprake is van overgang van onderneming. Voor bewijslevering is in deze procedure echter geen plaats. De conclusie is dan ook dat het geschil zich niet leent voor behandeling in kort geding. De proceskosten worden gecompenseerd.
