Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever b.v.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 1 oktober 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6976
Loonvordering bij verstek in kort geding toegewezen.

Feiten

Werknemer werkt voor onbepaalde tijd als senior adviseur subsidies en cofinancieringen bij werkgever. Werkgever heeft het loon van werknemer gedurende een paar maanden niet betaald. Werknemer vordert in deze procedure betaling van het achterstallige loon plus andere loonbestanddelen.

Oordeel

De kantonrechter verleent verstek tegen werkgever, omdat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor de oproeping van werkgever in acht zijn genomen en hij niet in het geding is verschenen. Dit brengt met zich dat de kantonrechter de vorderingen van werknemer beoordeelt op basis van zijn stellingen. Omdat werkgever door niet te verschijnen geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van werknemer en de gestelde feiten en omstandigheden waarop werknemer zijn vorderingen baseert, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van werknemer. De wet bepaalt dat in een verstekzaak de vordering van de eiser wordt toegewezen, tenzij de rechter de vordering ongegrond of onrechtmatig voorkomt. De vorderingen van werknemer komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en het is daarom aannemelijk dat deze in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Werknemer stelt dat werkgever achterstallig loon over de maanden mei tot en met juli 2026 moet betalen, in totaal € 20.627,25 bruto. Werknemer heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij werkgever meermaals heeft aangeschreven om over te gaan tot betaling van zijn achterstallige salaris, maar betaling is uitgebleven. Het gevorderde bedrag komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal daarom worden toegewezen. De wettelijke verhoging vanaf 24 augustus 2026 en de wettelijke rente over bovengenoemde bedragen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. Werknemer wil dat werkgever binnen 48 uur na dit vonnis deugdelijke salarisspecificaties aan hem verstrekt over de maanden mei en juni 2026 en de daaropvolgende maanden, zolang de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Werknemer eist dat aan deze veroordeling een dwangsom wordt verbonden van € 250 per dag of dagdeel dat werkgever niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000. De kantonrechter zal de vordering en de dwangsom toewijzen, maar matigt de dwangsom. Het door werknemer gevorderde bedrag van € 1.442,78 netto aan onbetaald gebleven reis- en onkosten over april tot en met juni 2026, plus de wettelijke rente hierover wordt ook toegewezen. Verder moet werkgever zolang de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd het overeengekomen salaris en de pensioentoeslag aan werknemer betalen. Werkgever wordt ook veroordeeld in de beslagkosten, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

  • Rechters: M.S. Koppert
  • Advocaten: A.C. Soetens
  • Wetsartikelen: art. 139 Rv, art. 706 Rv, art. 6:96 BW, art. 6:119 BW en art. 7:625 BW
  • Onderwerpen: Overige
  • Trefwoorden: loonvordering, verstek, dwangsom, kort geding, wettelijke verhoging en wettelijke rente