Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 8 oktober 2026
ECLI:EU:C:2026:832
Feiten
Tussen 2019 en 2022 hebben de betrokken werknemers met de werkgever deeltijdse arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd op uurbasis gesloten voor de periode van september tot en met juni van elk schooljaar. Die overeenkomsten cumuleerden zij met voltijdse arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd die zij als onderwijzend of ondersteunend onderwijzend personeel met diezelfde onderwijsinstelling of – voor een van hen – met een andere onderwijsinstelling hadden gesloten. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de betrokken werknemers in die periode 27 tot 62 vakantiedagen hadden. De financiële rechten voor de perioden van jaarlijkse vakantie en de maaltijdvergoeding werden uitsluitend berekend op basis van de voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zonder dat rekening werd gehouden met de werkzaamheden die in het kader van de deeltijdse arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd werden verricht.
In deze context betwijfelt de verwijzende rechter in de eerste plaats of die nationale regeling verenigbaar is met artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG en het in clausule 4 van beide raamovereenkomsten neergelegde non-discriminatiebeginsel uit het oogpunt van de wijze waarop de vergoeding wordt berekend die uit hoofde van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon aan de betrokken werknemers verschuldigd is. De verwijzende rechter is voorts van oordeel dat de betrokken werknemers minder gunstig worden behandeld en dat dit verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd door de motivering die wordt gegeven in artikel 18 Kaderwet nr. 153/2017, waarin het recht op de maaltijdvergoeding is neergelegd en een maximumbedrag is vastgesteld dat reeds wordt bereikt op basis van de voltijdse arbeidstijd, zoals die in de basisarbeidsovereenkomst is bepaald.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Niet-meetellen van cumulerende deeltijdarbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7 Arbeidstijdenrichtlijn
In casu verduidelijkt de verwijzende rechter dat voor de betrokken werknemers, die een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een deeltijdse arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd cumuleren, de vergoeding die verschuldigd is uit hoofde van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon waarin artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG voorziet, uitsluitend wordt berekend op basis van de inkomsten die zij uit de voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontvangen. Bijgevolg worden de inkomsten voor de perioden van daadwerkelijke arbeid die in het kader van de deeltijdse arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn vervuld, niet meegeteld bij die berekening.
Derhalve moet worden vastgesteld dat artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG, althans wat de duur van de in die bepaling vastgelegde minimale jaarlijkse vakantie betreft, zich verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat bij de berekening van de vergoeding uit hoofde van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon geen rekening wordt gehouden met de inkomsten voor de tijd die de betrokken werknemers daadwerkelijk hebben gewerkt op grond van hun deeltijdse arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Het bedrag van de vergoeding die aan de werknemers uit hoofde van de in artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG bepaalde minimale jaarlijkse vakantie met behoud van loon wordt betaald, mag namelijk niet lager zijn dan het gemiddelde normale loon dat zij tijdens de perioden van daadwerkelijke arbeid ontvangen.
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG, gelezen in het licht van artikel 31 lid 2 Handvest en clausule 4 van beide raamovereenkomsten aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die bepaalt dat wanneer een werknemer een voltijdse overeenkomst voor onbepaalde tijd cumuleert met een deeltijdse overeenkomst voor bepaalde tijd op uurbasis, bij de berekening van de vergoeding die uit hoofde van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon aan die werknemer verschuldigd is noch rekening wordt gehouden met de tijd die hij ter uitvoering van die tweede overeenkomst heeft gewerkt, noch met de inkomsten die hij op grond daarvan heeft ontvangen.
Maaltijdvergoeding dient pro rata over deeltijdfactor en vakantieloon berekend
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG en clausule 4 punt 1 van beide raamovereenkomsten aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling en praktijk volgens welke in het geval dat een werknemer een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd cumuleert met een deeltijdse arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op uurbasis, ten eerste aan die werknemer een maaltijdvergoeding wordt toegekend die enkel wordt berekend op basis van de tijd die hij daadwerkelijk ter uitvoering van de voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gewerkt en ten tweede het bedrag van die vergoeding niet wordt meegeteld bij de berekening van de vergoeding die verschuldigd is uit hoofde van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter heeft verduidelijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maaltijdvergoeding wordt geregeld door Kaderwet nr. 153/2017 en een bestanddeel van de beloning vormt. Om die vergoeding te krijgen hoeft de werknemer niet aan te tonen dat hij het toegekende bedrag daadwerkelijk gebruikt om zijn maaltijden te bekostigen. Verder maakt deze vergoeding deel uit van de maandelijkse inkomsten uit arbeid en is zij onderworpen aan dezelfde belastingen en lasten als die inkomsten. Hieruit volgt dat de toekenning van de maaltijdvergoeding uit hoofde van het door artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG gewaarborgde recht van de werknemer op jaarlijkse vakantie met behoud van loon deel uitmaakt van het recht om tijdens zijn vakantieperiode economische voorwaarden te genieten die vergelijkbaar zijn met die welke gelden wanneer hij zijn werk verricht, en dat het, zoals in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, gaat om een onderdeel van de rechten uit hoofde van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die in beginsel moet worden berekend op basis van de perioden van daadwerkelijke arbeid. In die context is de verwijzende rechter van oordeel dat de betrokken werknemers op het gebied van beloning minder gunstig zijn behandeld wat de maaltijdvergoeding betreft, die enkel wordt toegekend voor de tijd die zij daadwerkelijk hebben gewerkt op grond van een voltijdse overeenkomst voor onbepaalde tijd, en niet voor de tijd die zij hebben gewerkt in het kader van een deeltijdse overeenkomst voor bepaalde tijd.
In casu hebben de betrokken werknemers geen recht op de maaltijdvergoeding als onderdeel van de beloning voor de arbeid die zij daadwerkelijk hebben verricht op grond van de deeltijdse arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, aangezien, zoals in punt 99 van het onderhavige arrest is uiteengezet, de bovengrens voor de maaltijdvergoeding normaal gesproken al in het kader van de uitvoering van een “basisovereenkomst” wordt bereikt. In die omstandigheden ziet het er, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, naar uit dat het in clausule 4 punt 2 van beide raamovereenkomsten neergelegde pro-rata-temporisbeginsel niet correct wordt toegepast. Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7 lid 1 Richtlijn 2003/88/EG en clausule 4 punt 1 van beide raamovereenkomsten aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling en praktijk volgens welke in het geval dat een werknemer een voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd cumuleert met een deeltijdse arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op uurbasis, ten eerste aan die werknemer een maaltijdvergoeding wordt toegekend die enkel wordt berekend op basis van de tijd die hij daadwerkelijk ter uitvoering van de voltijdse arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gewerkt en ten tweede het bedrag van die vergoeding niet wordt meegeteld bij de berekening van de vergoeding die verschuldigd is uit hoofde van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
