Rechtspraak
Feiten
M. R., die lid is van het korps van brandweerlieden en reddingswerkers van de gemeente Lučenec (Slowakije), is van mening dat zijn wachtdiensten op de werkplek in strijd met artikel 2 punt 1, en artikel 6 onder b Richtlijn 2003/88/EG niet worden gelijkgesteld met arbeidstijd. Bijgevolg heeft hij zijns inziens immateriële schade geleden omdat artikel 2, punt 1, onjuist is omgezet in de Slowaakse rechtsorde, waardoor de in artikel 6 onder b bedoelde maximale wekelijkse arbeidstijd in zijn geval is overschreden. De overschrijding van de arbeidstijd heeft met name inbreuk gemaakt op zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven. De verwijzende rechter wenst te vernemen of het Unierecht reeds aanspraak geeft op schadevergoeding indien het nationale recht 'wachttijd' niet als 'arbeidstijd' erkent, zonder dat ook sprake is van overschrijding van de maximale arbeidstijd per week.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Schending van artikel 2 richtlijn kan (nog) niet leiden tot aansprakelijkheid van de staat
Uit de bewoordingen van artikel 2 punt 1, van deze richtlijn kan niet worden afgeleid dat deze bepaling op zichzelf ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, zodat particulieren op grond van het Unierecht schadevergoeding van een lidstaat kunnen vorderen wanneer die lidstaat die bepaling schendt. Artikel 2 van die richtlijn beperkt zich er immers, zoals de titel ervan aangeeft, toe om in punt 1 het begrip “arbeidstijd” voor de toepassing van de richtlijn te definiëren als “de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken”, zonder dat daarmee aan particulieren rechten worden toegekend of aan particulieren, lidstaten of instellingen van de Unie positieve of negatieve verplichtingen worden opgelegd in de zin van de vaste rechtspraak van het Hof, die met name blijkt uit het arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol (C-755/21 P, ECLI:EU:C:2024:202, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer alleen artikel 2 punt 1 Richtlijn 2003/88/EG wordt geschonden, is dus niet voldaan aan de voorwaarde voor aansprakelijkheid van de lidstaat.
Schade kan niet louter zijn gebaseerd op “niet-omzetting”, maar moet gebaseerd zijn op daadwerkelijke schade als gevolg van die niet-omzetting
Op de derde vraag moet worden geantwoord dat artikel 6 onder b Richtlijn 2003/88/EG aldus moet worden uitgelegd dat de omvang van de vergoeding die lidstaten moeten betalen voor de immateriële schade die zij door de schending van deze bepaling hebben toegebracht aan particulieren, overeenkomstig het nationale recht niet mag worden vastgesteld op basis van de duur van de schending van het Unierecht die voortvloeit uit het feit dat in de betrokken nationale regeling wachtdiensten niet worden meegeteld als “arbeidstijd” in de zin van artikel 2 punt 1 van deze richtlijn, maar moet worden vastgesteld op basis van de schade die de betrokken particulieren daadwerkelijk en concreet hebben geleden en die in een rechtstreeks causaal verband staat met de schending van artikel 6 onder b van die richtlijn, waarbij het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht moeten worden genomen.
