Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 13 mei 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:7386
Werknemer schendt concurrentiebeding door eigen concurrerende onderneming te starten, maar de fors opgelopen boete wordt gematigd.

Feiten

Werknemer treedt in oktober 2022 als leerling-monteur in dienst bij werkgeefster, die laadpalen verkoopt en installeert. Werkgeefster bekostigt zijn opleidingen tot laadpaalmonteur en leidinggevende. Zijn arbeidsovereenkomst bevat een concurrentiebeding dat hem gedurende één jaar na uitdiensttreding verbiedt binnen een straal van 100 kilometer concurrerende werkzaamheden te verrichten of belangen in een concurrerende onderneming te hebben, op straffe van een boete. Tijdens zijn dienstverband richt werknemer een eigen onderneming op die eveneens laadpalen installeert. Vervolgens zegt hij zijn arbeidsovereenkomst op, waarna werkgeefster hem uitdrukkelijk op het concurrentiebeding wijst. Desondanks verricht hij na zijn vertrek werkzaamheden voor zijn onderneming, zoals blijkt uit rechercheonderzoek. Werkgeefster stelt dat werknemer toegang had tot vertrouwelijke informatie over onder meer prijzen, klanten en interne werkprocessen. Zij vordert een verklaring voor recht dat het concurrentiebeding is geschonden, betaling van de verbeurde boetes en schadevergoeding. Ook spreekt zij de onderneming aan wegens het onrechtmatig profiteren van de overtreding. Werknemer betwist het te beschermen belang van werkgeefster en vordert in reconventie vernietiging van het concurrentiebeding wegens onbillijke benadeling. Werkgeefster start pas na enige tijd een procedure, waardoor de gevorderde boete aanzienlijk is opgelopen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Een concurrentiebeding dient ter bescherming van het bedrijfsdebiet, niet om werknemers te binden of te verhinderen opgedane kennis en ervaring elders te benutten. Werknemer had echter toegang tot vertrouwelijke informatie over prijzen, klanten, leveranciers en interne processen, waarmee hij een concurrentievoordeel kon behalen. Dat hij stelt hiervan geen kennis te hebben genomen, doet daaraan niet af. Daarbij weegt mee dat hij, na door werkgeefster te zijn opgeleid, een eigen concurrerende onderneming heeft opgericht in plaats van bij een bestaande concurrent in dienst te treden. Zijn belang bij vrije arbeidskeuze weegt daarom niet zwaarder dan het beschermingsbelang van werkgeefster. Ondanks uitdrukkelijke waarschuwingen heeft werknemer ervoor gekozen concurrerende werkzaamheden te verrichten, terwijl hij zich tijdelijk op andere activiteiten had kunnen richten. Daarmee heeft hij het concurrentiebeding overtreden. De gevorderde boete wordt aanzienlijk gematigd, omdat werkgeefster geruime tijd heeft gewacht met procederen, waardoor deze boete onredelijk hoog is opgelopen. De vordering tot intrekking van de melding bij de Autoriteit Persoonsgegevens wordt afgewezen, omdat de rechtmatigheid daarvan nog niet is beoordeeld en nadeel onvoldoende is onderbouwd. Ook de schadevordering wordt afgewezen. De vorderingen tegen de onderneming worden eveneens afgewezen, omdat voor onrechtmatig profiteren van wanprestatie naast wetenschap van de overtreding bijkomende omstandigheden vereist zijn, waarvan onvoldoende is gebleken. De vordering tot vernietiging van het concurrentiebeding wordt afgewezen. Werknemer draagt de proceskosten van de tegen hem ingestelde vorderingen en in reconventie. Werkgeefster draagt de proceskosten van de procedure tegen de onderneming.