Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 8 september 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:6044
Feiten
Het dictum van de beschikking van 2 juni 2026 luidt – voor zover van belang – als volgt:
De kantonrechter:
- veroordeelt Europa Sign tot het opstellen van een correct berekende en inzichtelijke eindafrekening en deze aan werknemer te verstrekken;
- veroordeelt Europa Sign tot betaling van de uit de eindafrekening onder 5.1 volgende bedragen aan werknemer, binnen 14 dagen na deze beschikking, waarbij wordt uitgegaan van de uitgangspunten zoals hiervoor overwogen (ten aanzien van de transitievergoeding, onbetaald verlof en vakantieuren, en restbedrag lening van € 60,–), te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% over de toegewezen bedragen, vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling en de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling …;
- veroordeelt Europa Sign om aan werknemer te verstrekken een schriftelijke en deugdelijke netto-brutospecificatie …
Op 17 juni 2026 heeft werknemer verzocht om vast te stellen dat in de beschikking niet is beslist op het verzoek tot betaling van achterstallig loon over september 2025, vast te stellen dat niet op alle betwiste vakantie-uren is beslist, de beschikking aan te vullen en alsnog te beslissen op voormelde onderdelen. Europa Sign is in de gelegenheid gesteld om op dit verzoek te reageren maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.
Oordeel
De kantonrechter heeft de diverse onderdelen van het oorspronkelijke verzoek van werknemer in de beschikking in een andere volgorde besproken en beoordeeld dan werknemer heeft verzocht. Het verzoek tot uitbetaling van gesteld achterstallig loon over september 2025 (onderdeel d) is beoordeeld tezamen met de onderdelen c (eindafrekening) en e (vakantiedagen) onder 4.8 tot en met 4.14. Gezamenlijke beoordeling was naar het oordeel van de kantonrechter nodig vanwege het dooreenlopen van bruto- en nettobedragen in het verzoek van werknemer. Over de vakantie-uren is geoordeeld onder 4.9 tot en met 4.12 van de beschikking. Daarbij is het totaal aantal vakantie-uren waarop werknemer recht had afgezet tegen de opgenomen uren. Voor zover werknemer meent dat daarbij is uitgegaan van een onjuist saldo, staat hem de weg van het hoger beroep open. Van een kennelijke fout als bedoeld in artikel 31 lid 1 Rv is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. De verzoeken van werknemer worden afgewezen.
