Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 17 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:12290
Feiten
Werkneemster is per 1 april 2025 bij werkgever in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. In de arbeidsovereenkomst staat dat deze voor twaalf maanden is aangegaan, met als einddatum 30 april 2026. Werkgever heeft deze einddatum meermaals schriftelijk bevestigd, maar stelt later dat er sprake is van een administratieve fout en dat de arbeidsovereenkomst al op 31 maart 2026 is geëindigd. Werkneemster verzoekt onder meer betaling van het achterstallige loon over april 2026, de resterende transitievergoeding en niet-genoten vakantiedagen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat de tegenstrijdigheid in de arbeidsovereenkomst voor rekening en risico van werkgever komt. Op grond van de Haviltex-maatstaf en de herhaaldelijke bevestiging van de einddatum mocht werkneemster er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de arbeidsovereenkomst op 30 april 2026 eindigde. Werkgever wordt daarom veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon over april 2026, de resterende transitievergoeding en niet-genoten vakantiedagen. De acht vooraf vastgestelde vakantiedagen tijdens ziekte mochten bovendien niet worden afgeschreven, omdat werkneemster daarmee niet had ingestemd en een schriftelijke grondslag ontbrak (artikel 7:638 lid 8 BW).
