Naar boven ↑

Rechtspraak

partij A/Partij B
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 22 september 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5885
Moeder en zoon twisten over de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. De zoon beroept zich op een retentierecht totdat de schuld is betaald.

Feiten

Moeder voert een administratiekantoor. In 2023 werd zij ernstig ziek. Moeder en zoon hebben daarna gesprekken gevoerd over het overnemen van het administratiekantoor door de zoon. Op advies van een fiscaal jurist is de zoon in 2023 op de loonlijst van het administratiekantoor gezet. Vervolgens is de zoon geplaatst bij een klant van het administratiekantoor voor twee dagen per week voor het uitvoeren van werkzaamheden voor die klant. Nadat de klant deze opdracht beëindigde, heeft moeder de zoon opdracht gegeven om klanten voor het administratiekantoor te acquireren. Op enig moment daarna is de relatie tussen moeder en zoon ernstig verslechterd. De tussen partijen overeengekomen samenwerking is per e-mail van 24 november 2024 opgezegd tegen 31 december 2024. Na deze beëindiging is de zoon zijn eigen administratiekantoor begonnen en heeft hij een aantal klanten overgenomen van het administratiekantoor van zijn moeder. Na de beëindiging van hun samenwerking zijn partijen in conflict geraakt over de financiële afwikkeling van hun samenwerking. Partijen huurden een opslag waarin zich vier schilderijen van moeder bevinden. Deze schilderijen is de zoon met een beroep op een retentierecht onder zich gaan houden. Moeder heeft vervolgens conservatoir beslag laten leggen op de schilderijen. De schilderijen bevinden zich nu in gerechtelijke bewaring. De zoon kwalificeert de tussen partijen gemaakte afspraken als een arbeidsovereenkomst en vordert onder meer achterstallig loon. Volgens de moeder is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst en heeft de zoon geen recht op betaling van loon. In reconventie vordert zij een schadevergoeding en een verklaring voor recht dat haar zoon geen retentierecht heeft op de schilderijen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst omdat partijen hebben afgesproken dat de zoon werkzaamheden zou verrichten voor het administratiekantoor, hij daarvoor een vergoeding zou ontvangen en moeder degene was die haar zoon instructies gaf.  Partijen zijn het erover eens dat hun samenwerking is geëindigd op 31 december 2024. Nu sprake was van een arbeidsovereenkomst had de zoon tot dat moment recht op betaling van loon ter hoogte van € 12.319,46 bruto. De overige vergoedingen die de zoon vordert, waaronder rente op lening, kosten opslag box en diverse werkzaamheden, wijst de kantonrechter af omdat deze vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. Voor de overname van klanten van het administratiekantoor van zijn moeder wordt de zoon veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van € 26.000. Ten aanzien van het retentierecht is de kantonrechter van oordeel dat de schilderijen geen voldoende verband hadden met de loonvordering. Daarom kon de zoon zich niet op een retentierecht beroepen en moeten de schilderijen aan de moeder worden teruggegeven. De vordering van de zoon tot opheffing van het beslag is niet toewijsbaar omdat dit rechtmatig is gelegd.