Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 16 september 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:9257
Werknemer vordert betaling van de SAO-toeslag en toepassing van de RVU-regeling, omdat hij meent dat hij vanwege de bezwarende arbeidsomstandigheden in zijn functie recht heeft op de SAO-toeslag.

Feiten

Werknemer is in 1989/1992 in dienst getreden bij de rechtsvoorgangster van werkgeefster. Op de arbeidsovereenkomst is de Cao Metalelektro van toepassing. Werknemer vervult geruime tijd de functie van hoofduitvoerder en zal in 2028 de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Werknemer wil gebruikmaken van de Regeling vervroegd uittreden (RVU). In de Cao Metalelektro is bepaald dat de RVU het voor werknemers mogelijk maakt om onder voorwaarden maximaal drie jaar vóór de AOW-leeftijd te stoppen met werken. Een werknemer die voor de RVU in aanmerking komt, ontvangt tot de AOW-leeftijd een financiële vergoeding. Een van de voorwaarden is dat de werknemer een SAO-toeslag of vergelijkbare toeslagen voor bezwarende arbeidsomstandigheden heeft ontvangen. Werknemer heeft van 1999 tot en met januari 2018 de SAO-toeslag ontvangen. In 2017 heeft een herziening van de SAO-regeling plaatsgevonden. Aan werknemer is meegedeeld dat hij vanwege deze herziening geen recht meer heeft op een SAO-toeslag. Werknemer heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Later heeft werknemer aan werkgeefster laten weten dat hij recht heeft op een SAO-toeslag. Partijen hebben hierover meermaals gesproken en gecorrespondeerd, maar zijn bij hun standpunt gebleven en hebben het geschil niet kunnen oplossen. Werknemer vordert onder meer voor recht te verklaren dat hij recht heeft op een SAO-toeslag en dat werkgeefster gehouden is medewerking te verlenen aan de toepassing van de RVU-regeling. Daarnaast vordert werknemer om betaling van de SAO-toeslag en schadevergoeding wanneer toepassing van de RVU-regeling niet meer mogelijk is. Ook vordert hij deugdelijke bruto-nettospecificaties, afdracht van de niet afgedragen pensioenpremies, betaling van buitengerechtelijke kosten en veroordeling van werkgeefster in de proceskosten.

Oordeel

De kantonrechter stelt vast dat aan werknemer in 2017 is meegedeeld dat hij geen SAO-toeslag meer zou ontvangen. Een externe deskundige had de werkzaamheden en omstandigheden beschreven en deze op basis van de arbeidsomstandighedensystematiek gewaardeerd. Tussen partijen staat vast dat alle bij werkgeefster werkzame hoofduitvoerders, waaronder werknemer, geen SAO-toeslag krijgen omdat zij zijn ingedeeld in trap 0. De kantonrechter oordeelt dat de functiebeschrijving leidend is in het SAO-systeem en niet de feitelijke werkzaamheden. In de cao wordt gesproken over de arbeidsomstandigheden die in de functies voorkomen en niet over de feitelijk door een werknemer uitgevoerde werkzaamheden. Het standpunt van werknemer dat zijn feitelijke werkzaamheden als uitgangspunt moeten worden genomen, vindt daarom geen steun in de cao. Ook wanneer de feitelijke werkzaamheden van werknemer als uitgangspunt zouden worden genomen, zou dit niet tot een ander oordeel leiden. Werknemer stelt dat hij onder dezelfde verzwaarde omstandigheden en in dezelfde omgeving werkt als uitvoerders die wel een SAO-toeslag ontvangen, waarbij hij onder meer wijst op extreme hitte, geluidsoverlast, trillingen en gevaarlijke stoffen. Hij stelt dat hij gemiddeld zeven uur per werkdag fysiek aanwezig is in operationele installaties en structureel werkzaamheden in de montage verricht. De kantonrechter acht dit onvoldoende om aan te nemen dat werknemer recht heeft op een SAO-toeslag. De feitelijke werkzaamheden van een uitvoerder en een hoofduitvoerder zijn niet identiek en het is, gelet op het niet eenvoudige SAO-systeem, nog maar de vraag of zij dezelfde SAO-waardering zullen hebben. De bezwarende arbeidsomstandigheden worden volgens de kantonrechter geanalyseerd en gewaardeerd op verschillende kenmerken en waarderingsgebieden. Uiteindelijk resulteert dit in een totale SAO-waardering en kan de functie worden ingedeeld in één van de vier trappen. De kantonrechter heeft onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat werknemer in trap 1 of hoger ingedeeld dient te worden. De vordering van werknemer wordt daarom afgewezen. De kantonrechter wijst ook het verzoek van werkgeefster om de daadwerkelijk gemaakte proceskosten toe te wijzen af. Daarvoor is volgens de kantonrechter onvoldoende grond. Werknemer is wel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen.