Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 23 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6633
Feiten
Werkneemster is per 15 februari 2006 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van beleidsadviseur. Per 1 januari 2020 is haar aanstelling vanwege de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, waarbij zij ambtenaar bleef. Vanaf 1 juli 2024 verrichtte werkneemster daarnaast op zzp-basis werkzaamheden voor de gemeente, aanvankelijk voor ongeveer 20 uur per week en vanaf 1 januari 2025 gemiddeld 20 tot 24 uur per week. Zij meldde deze nevenwerkzaamheden niet bij werkgeefster. In de periode van 13 januari tot en met 9 april 2026 bleek op meerdere momenten sprake van overlap tussen haar werkzaamheden voor beide gemeenten. Zo had werkneemster op 22 en 28 januari en op 16, 30 en 31 maart 2026 tijd in haar agenda bij werkgeefster gereserveerd, terwijl zij werkzaamheden voor de andere gemeente verrichtte. Ook was zij op 23 februari, 2 en 4 maart en 9 april 2026 afwezig bij of te laat voor afspraken van werkgeefster terwijl zij werkzaamheden voor de andere gemeente uitvoerde. Op 1 april 2026 vertrok zij ondanks een afspraak om een nieuwe collega in te werken eerder van het stadhuis, zonder te melden dat zij die middag afspraken voor de andere gemeente had. Op 8 april 2026 werd werkneemster met de nevenwerkzaamheden geconfronteerd. Op 10 april 2026 heeft werkgeefster haar op staande voet ontslagen. Werkneemster berust in het einde van het dienstverband, maar verzoekt toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster had haar nevenwerkzaamheden moeten melden, omdat bij aanvang al voorzienbaar was dat haar totale arbeidsomvang een fulltime dienstverband zou overstijgen en de werkzaamheden voor beide gemeenten tijdens gebruikelijke kantooruren konden botsen. Dat risico heeft zich vervolgens daadwerkelijk verwezenlijkt. Werkneemster reserveerde werktijd voor werkgeefster terwijl zij voor de andere gemeente werkte en liet werkzaamheden of overleggen van werkgeefster wijken voor haar nevenwerkzaamheden, zonder daarover openheid te geven. Dat zij haar werktijden flexibel mocht indelen, maakt dit niet anders. Daarbij weegt mee dat zij als ambtenaar aan bijzondere eisen van integriteit en betrouwbaarheid moest voldoen en dat zij eerder was aangesproken op haar aanwezigheid en het nakomen van afspraken. Ook op 1 april 2026 gaf zij geen openheid over haar conflicterende verplichtingen, terwijl haar leidinggevende haar uitdrukkelijk op haar aanwezigheid aansprak. Het niet melden van de nevenwerkzaamheden en het verrichten daarvan tijdens werktijd voor werkgeefster vormen gezamenlijk een ernstige inbreuk op het vertrouwen en leveren een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Het handelen is bovendien ernstig verwijtbaar, zodat geen recht bestaat op een transitievergoeding. De lange duur van het dienstverband maakt dit niet anders, omdat er geen sprake is van een relatief kleine misstap. Omdat het ontslag rechtsgeldig is, worden ook de billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding afgewezen. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.
